Expand your vocabulary Part 1

Hoe zeg je "aan uw linkerkant" in het Engels?
A
on your left-hand side
B
at your left-hand side
C
on your right-hand side
D
in your left-hand side
1 / 28
volgende
Slide 1: Quizvraag
EngelsMiddelbare schoolvmbo gLeerjaar 1

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Onderdelen in deze les

Hoe zeg je "aan uw linkerkant" in het Engels?
A
on your left-hand side
B
at your left-hand side
C
on your right-hand side
D
in your left-hand side

Slide 1 - Quizvraag

"steek de straat over" is
A
Kross the street
B
cross the street
C
turn around the street
D
Go straight ahead

Slide 2 - Quizvraag

Wat betekent "VVV" in het Engels?
A
Traveling Information Center
B
Tourist Information Center
C
Leisure Center
D
City Center

Slide 3 - Quizvraag

A good translation of "Hemelvaartsdag" is
A
Easter
B
Boxing Day
C
Spring mid-term break
D
Ascension day

Slide 4 - Quizvraag

Welke woord heeft dezelfde betekenis van "help"?
A
Assess
B
Assist
C
provide
D
main

Slide 5 - Quizvraag

Hoe zeg je "Pinksteren" in het Engels?
A
Bank holiday
B
Whitsuntide
C
Easter
D
Boxing day

Slide 6 - Quizvraag

Hoe zeg je "officiële vrije dag" in het Engels
A
Ascension day
B
Autumn mid-term break
C
Bank holiday
D
Boxing Day

Slide 7 - Quizvraag

What is the synonym of the word "Foreshadow"?
A
Flashback
B
anticipate
C
destination
D
suspect

Slide 8 - Quizvraag

"Dit huis is te groot" Hoe zeg je "te groot" in het Engels
A
to big
B
two big
C
too big
D
te big

Slide 9 - Quizvraag

The word "pavement" is
A
American
B
British
C
Canadian
D
Australian

Slide 10 - Quizvraag

What is the translation of the word "Gezellig"?

Slide 11 - Open vraag

A good translation of "bepalen" is
A
abroad
B
hazard
C
determine
D
access

Slide 12 - Quizvraag

What does the word "Hazard" mean
A
slim
B
gevaar
C
veilig
D
zicht

Slide 13 - Quizvraag

Hoe zeg je "vervangende" in het Engels
A
level
B
initial
C
rate
D
substitute

Slide 14 - Quizvraag

What does the word "vermijden" mean
A
Avoid
B
provide
C
border
D
obey

Slide 15 - Quizvraag

A good translation of "opblaasbare dingen" is
A
brash
B
current(ly)
C
inflatables
D
access

Slide 16 - Quizvraag

Hoe zeg je "verkleinen" in het Engels
A
increase
B
reduce
C
produce
D
seduce

Slide 17 - Quizvraag

The United Kingdom is made up of ..............nations
A
3
B
4
C
5
D
6

Slide 18 - Quizvraag

United Kingdom

Slide 19 - Tekstslide

A good translation of "gehoorzaam" is
A
disobey
B
obey
C
apply
D
determine

Slide 20 - Quizvraag

Hoe zeg je "Zicht(in het) in het Engels
A
inflatables
B
brash
C
display
D
laid-back

Slide 21 - Quizvraag

Het woord "inwoner" betekent
A
individual
B
person
C
inhabitant
D
tide

Slide 22 - Quizvraag

Hoe zeg je "markering" in het engels
A
loop
B
landmark
C
super market
D
marketing

Slide 23 - Quizvraag

Hoe zeg je "neem de tweede straat rechts" in het Engels?
A
Take the third street on your right
B
Take the second street on your left
C
Take the second street on your write
D
Take the second street on your right

Slide 24 - Quizvraag

What is the capital of Ireland?
A
Edinburgh
B
Dublin
C
London
D
Cardiff

Slide 25 - Quizvraag

What does the word "Summary" mean
A
schrijven
B
samenvatting
C
toenemen
D
toegang

Slide 26 - Quizvraag

Hoe zeg je "Buitenland" in het Engels?
A
abroad
B
hazard
C
border
D
avoid

Slide 27 - Quizvraag

A good translation of "Trouwdag(zoveel jaar)" is
A
Birthday
B
Ascension day
C
Wedding anniversary
D
Easter

Slide 28 - Quizvraag