cross

Modals must, have to, should

Modals


Have to, must & should

1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Modals


Have to, must & should

Slide 1 - Tekstslide

Welke hulpwerkwoorden ken je al?

Slide 2 - Woordweb

Hulpwerkwoorden
should = zou moeten
must = moeten
have/has (got) to = iets moet van iemand anders

Slide 3 - Tekstslide



Slide 4 - Tekstslide

Must

Must (+not) + hele werkwoord

1.Jij vindt dat iets (niet) moet/ belangrijk is.. 

2. Levensreddend advies (krachtiger dan should)

3. Als het echt niet anders kan, het moet zo zijn

4.  Het is bij wet/regelement verplicht.

You must have a valid ticket in order to enter.
I must finish this essay today. I’m going out tomorrow.

Slide 5 - Tekstslide

Have to

has/have to + hele werkwoord


1. Iets moet van iemand anders, niet van jou.

2. 'Het is nodig' -> noodzaak

Mum says I have to do the dishes.
I have to finish this essay today. We have to hand them in tomorrow

Slide 6 - Tekstslide

Should
Should = zou (niet) moeten.

Formule: Should  (+not) + hele werkwoord

1. Je geeft een advies of , bij ontkenningen, je raadt iets af.

Slide 7 - Tekstslide

Have to in ontkenningen

Als je have to in ontkennende zinnen gebruikt, dan verandert de betekenis van 'moeten' in 'niet hoeven'.


Don't have to + hele werkwoord 
Doesn't have to + hele werkwoord

She doesn't have to walk her dog.

Slide 8 - Tekstslide

I think people ... recycle more paper and glass.
A
have to
B
must
C
should
D
mustn't

Slide 9 - Quizvraag

The museum is free. You ... pay.
A
shouldn't
B
mustn't
C
don't have to
D
should

Slide 10 - Quizvraag

You ... park here. It's an emergency exit.
A
mustn't
B
must
C
have to
D
don't have to

Slide 11 - Quizvraag

You ... smoke. It's bad for you.
A
must
B
should
C
don't have to
D
shouldn't

Slide 12 - Quizvraag

I ... wear a uniform when I am at school.
A
must
B
have to
C
should
D
musn't

Slide 13 - Quizvraag

Mark's a sales representative. He ... travel a lot.
A
must
B
has to
C
should
D
mustn't

Slide 14 - Quizvraag