Taal Compleet 5.6

Taal Compleet 5.6

Learning objective

1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nieuwe lesbewerkerTaalISK

In deze les zitten 15 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Taal Compleet 5.6

Learning objective

streng


  • Betekenis: iemand die veel regels heeft en verwacht dat mensen die volgen.


  • Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord


  • Voorbeeldzin: De leraar is streng en verwacht dat iedereen op tijd komt.

het onderwijs


  • Betekenis: alles wat te maken heeft met lesgeven en leren op school.


  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord


  • Voorbeeldzin: Het onderwijs in Nederland is voor iedereen toegankelijk.

de fabriek


  • Betekenis: een groot gebouw waar producten worden gemaakt door mensen en machines.


  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord


  • Meervoud: de fabrieken


  • Voorbeeldzin: Mijn vader werkt in een fabriek waar auto's worden gemaakt.

verdienen


  • Betekenis: Recht hebben op dat wat je krijgt. Bijv: geld krijgen voor werk dat je doet.


  • Woordsoort: werkwoord


  • Voorbeeldzin: Zij verdient haar geld als verpleegkundige.

de machine


  • Betekenis: een apparaat dat werk doet of helpt bij werk.


  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord


  • Meervoud: de machines


  • Voorbeeldzin: De machines in de fabriek maken honderden producten per dag.

dood


  • Betekenis: niet meer levend.


  • Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord


  • Voorbeeldzin: De boom is dood en krijgt geen bladeren meer.

de regering


  • Betekenis: de groep mensen die een land bestuurt.


  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord


  • Meervoud: de regeringen


  • Voorbeeldzin: De regering maakt plannen voor de toekomst van het land.

de wet


  • Betekenis: een officiële regel die voor iedereen geldt.


  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord


  • Meervoud: de wetten


  • Voorbeeldzin: Je moet je aan de wet houden.

vasthouden

Betekenis: iets of iemand niet loslaten.

Woordsoort: werkwoord

Voorbeeldzin: Houd de tas goed vast in de trein.

de straf

Betekenis: een maatregel die iemand krijgt als hij of zij iets verkeerd heeft gedaan.

Woordsoort: zelfstandig naamwoord

Meervoud: de straffen

Voorbeeldzin: Voor te hard rijden kreeg hij een straf.

de hoek

Betekenis: de plaats waar twee muren, lijnen of straten samenkomen.

Woordsoort: zelfstandig naamwoord

Meervoud: de hoeken

Voorbeeldzin: De stoel staat in de hoek van de kamer.

sloegen (van slaan)

Betekenis: raakten iemand of iets hard met de hand of een voorwerp.

Woordsoort: werkwoord (verleden tijd van slaan)

Voorbeeldzin: De kinderen sloegen de bal over het net.

de stok

Betekenis: een lange, dunne staaf of tak van hout of ander materiaal.

Woordsoort: zelfstandig naamwoord

Meervoud: de stokken

Voorbeeldzin: De wandelaar gebruikte een stok tijdens de tocht.

gewoon

Betekenis: normaal, niet bijzonder.

Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord of bijwoord

Voorbeeldzin: Het was een gewone dag op school.