Nodig voor herhaling thema 1
TCA1 1.12 oefenen met het werkwoord zijn
TCA1 1.15 oefenen met het werkwoord hebben
werkblad persoonlijke voornaamwoorden
Nodig voor herhaling thema 1
TCA1 1.12 oefenen met het werkwoord zijn
TCA1 1.15 oefenen met het werkwoord hebben
werkblad persoonlijke voornaamwoorden
herhaling thema 1
persoonlijke voornaamwoorden
Ik, jij, u, hij, zij, wij, jullie, zij
werkblad persoonlijke voornaamwoorden
meervoud:
we= ik + jij-u-hij-zij | ik + groep
jullie= jij + groep
zij = groep | hij-zij + groep
Hebben en zijn
Wanneer gebruik je de werkwoorden 'hebben' en 'zijn'?
hebben
Bij de meeste werkwoorden gebruik je 'hebben'.
Bij een ding of iets dat van jou is gebruik je 'hebben'.
Je hebt een fiets. Hij heeft een boek.
zijn
Bij een gevoel en een eigenschap gebruik je 'zijn'.
Ik ben blij. Wij zijn oud.
Werk samen
Schrijf of teken zo veel mogelijk dingen.
fiets | boek
Schrijf of teken zo veel mogelijk gevoelens of eigenschappen.
blij | oud
In tweetallen
Pak een kaartje.
Wat zie je?
Schrijf het woord onder het kaartje.
Hoort het woord bij 'hebben' of bij 'zijn'?
blij
blij
zijn
Oefenen met het werkwoord zijn of hebben
Pak een kaartje.
Gooi met de dobbelsteen.
Maak een zin.
1 = ik 4 = hij
2 = jij 5 = zij (1)
3 = u 6 = wij|jullie |zijn (2)
Voorbeeld:
kaartje: school
dobbelsteen: 2
zin: Jij bent op school.
differentiatie: Maak vraagzinnen
quiz-vragen
In tweetallen
Log in met 1 telefoon.
Typ de goede vorm van hebben of zijn.
Voorbeeld:
De docent ......... lief.
is
De docent ........... lief.
Wij ................ vandaag Nederlandse les.
Ik ................. een boek.
Wie ............... jij?
Je ............... boos.
Dit boek …………… erg mooi. Je moet het ook lezen!
Je …………… gek. Natuurlijk kan dat niet!
Tung en Wing zijn getrouwd. Zij ………………. 2 kinderen.
. U ……… mevrouw Janssen.
Hij ..............op school.
“Jullie ………………………..vervelend”, zegt de moeder tegen haar kinderen.
hebben
zijn
heeft
is
…………………………. jullie getrouwd?
heeft
zijn
is
hebben
Hij………………………. 2 jaar in Nederland.
bent
is
heeft
zijn
Maak een zin met 'hebben'.
Maak een zin met 'zijn'.
Maak een zin met 'ben'.
Maak een zin met 'hebt'.
Maak een zin met 'heb'.
Maak een zin met 'heeft'.
Maak een zin met 'is'.
Maak een zin met het werkwoord 'hebben'. Kies zelf uit: ik, hij of wij.
Maak een zin met het werkwoord 'zijn'. Kies zelf uit ik, jij of jullie.