Oefentoets Voedingsleer

Oefentoets Voedingsleer
1 / 50
volgende
Slide 1: Tekstslide
VoedingsleerMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Oefentoets Voedingsleer

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke van de volgende vetten zijn ongezond en komen voor in de volgende producten?
A
Onverzadigde vetten, komen vooral voor in vlees, kaas en eieren
B
Verzadigde vetten, komen vooral voor in vis, peulvruchten en noten
C
Onverzadigde vetten, komen vooral voor in vis, peulvruchten en noten
D
Verzadigde vetten, komen vooral voor in dierlijke producten

Slide 2 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het verschil tussen verzadigde en onverzadigde vetzuren?

Slide 3 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

De vetzuren van de in de natuur voorkomende vetten kunnen worden ingedeeld: 
  • Verzadigde vetzuren;
  • Onverzadigde vetzuren. 
Verzadigde vetzuren hebben geen dubbele bindingen.  (ze hebben geen honger meer want ze zijn compleet voorzien van waterstof). 

Onverzadigde vetzuren hebben een dubbele binding. Deze kunnen we onderverdelen in: 
  • Enkelvoudig onverzadigde vetzuren: met één dubbele binding in de vetzuurketen
  • Meervoudig onverzadigde vetzuren: twee of meer dubbele bindingen in de vetzuurketen. 
Wat zijn transvetten?

Slide 5 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het effect van transvetten op je lichaam?

Slide 6 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Transvetten
  • Onverzadigde vetzuren;
  • Is qua scheikundige structuur inflexibel waardoor het lichaam het vet moeilijker kan verwerken;
  • Verhoogt het LDL-cholesterolgehalte; 
  • Verlaagt het HDL-cholesterolgehalte; 
  • Hoger risico op hartziekten bij een hogere inname van transvet.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de functie van triglyceriden in ons lichaam?
A
Energie (voorraad)
B
Bescherming organen
C
Werking van ogen, hersenen en spieren
D
Bescherming tegen kou

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Triglyceriden en hun functie
  • Omega 3-vetzuren: Belangrijke rol hersenontwikkeling en gezichtsvermogen ongeboren baby's
  • Energie(voorraad)
  • Bescherming organen + bescherming tegen kou
  • Werking ogen, hersen en spieren
  • Vet oplosbare vitaminen 

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is cholesterol?

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vervoer van cholesterol vindt plaats door een laagje eiwit om het cholesterol heen, waarom is dit zo?

Slide 11 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

LDL-cholesterol
HDL-cholesterol
Loser
Hero
Vervoert cholesterol vanuit de lever naar de rest van het lichaam
Gaat vastzitten aan de binnenkant van de vaten
Veroorzaakt arteriosclerose
Vervoert cholesterol vanuit de vaatwand naar de lever
Maakt de binnenkant van de vaten schoon
Rood vlees
Volvette kaas
Ongefilterde koffie
Noten
Peulvruchten
Volkoren producten

Slide 12 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

LDL (Loser)


  • Vervoert cholesterol vanuit de lever naar de rest van het lichaam
  • Vastzetten in de binnenwand bloedvaten
  • Plakken aan beschadigingen 
  • Beschadigingen ontstaan door bijv. roken, verhoogde bloeddruk, ouderdom
  • Bloedvaten slibben dicht = arteriosclerose

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

HDL (Hero)
  • Transporteert cholesterol vanuit vaatwand naar de lever
  • Lever zorgt ervoor dat cholesterol lichaam verlaat
  • Hoger HDL-cholesterol = betere afvoer

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De totale eiwitbehoefte per dag is 150-160 gram. 60 tot 70 gram daarvan moet je binnenkrijgen via voeding. Waar komt de overige 90 gram vandaan?

Slide 15 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


Meer eiwitten binnen krijgen dan de aanbevolen eiwitbehoefte is niet erg. 
A
Waar
B
Niet waar

Slide 16 - Quizvraag

Het lichaam kan te grote hoeveelheden eiwit niet opslaan. De nieren moeten de stoffen allemaal verwerken en worden op deze manier behoorlijk belast. Daarnaast kan zelf ontkalking van het bot optreden. 

Wanneer de energieinname lager is dan de energiebehoefte, zal het lichaam eerst zijn reserves aan glycogeen (in het lichaam opgeslagen glucose) en vet verbruiken en vervolgens het eigen eiwit als energiebron aanwenden ipv dit eiwit voor de opbouw te gebruiken. Dit leidt tot afbraak van het lichaam. 
Te veel eiwitten gebruiken heeft geen zin, omdat het lichaam ze niet in grote hoeveelheden kan opslaan. Daarnaast is het extra belastend voor de nieren. 

Wanneer iemand meer eiwitten dan koolhydraten binnenkrijgt zal het lichaam het eiwit gaan afbreken i.p.v. het voor de opbouw gebruiken. Dit leidt tot afbraak van het lichaam. 

Een volwaardige voeding volgens de Schijf van Vijf bevat voldoende eiwitten!
Te veel eiwitten

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Minder eiwitten binnen krijgen dan de aanbevolen eiwitbehoefte is erg erg. 
A
Waar
B
Niet waar

Slide 18 - Quizvraag

Wanneer er een tekort aan eiwitten in het lichaam bestaat, zullen lichaamsfuncties waarbij eiwitten een belangrijke rol spelen niet meer of maar ten dele vervuld kunnen worden. Dit kan tot het optreden van de volgende verschijnselen leiden:
Achterstand in groei, een slechte wondgenezing en bloedarmoede. Dit zijn de eerste verschijnselen van eiwitondervoeding.
Vermindering van de weerstand tegen bacteriele infecties door een vermindering van het gehalte aan immuunstoffen.
Oedeem, vochtophoping door tekort aan eiwit in het bloed. Door een te lage collo?d-osmotische druk in bloedvaten wordt de uitwisseling van water en voedingsstoffen tussen bloed en weefsels onmogelijk.
Ziektes als kwashiorkor (=eiwitondervoeding) en marasmus (=eiwit- en energieondervoeding). Deze ziektes komen voornamelijk in ontwikkelingslanden voor.Consumptie van grote hoeveelheden eiwitten is (in principe) niet schadelijk voor de gezondheid. Maar uit onderzoek is wel gebleken dat een teveel aan eiwitten in de voeding een negatief effect heeft op de calciumabsorptie. En een teveel aan vleeseiwit zou de calciumuitscheiding verhogen.

Welke eiwitten hebben over het algemeen een hogere biologische waarde?
A
Eiwitten van plantaardige oorsprong
B
Eiwitten van dierlijke oorsprong

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Biologische waarde
  • Een getal tussen de 0 en 100. 

Hoe hoger de biologische waarde, hoe meer het aminozuurprofiel in verhouding en hoeveelheid op het profiel van onze lichaamseigen eiwitten lijkt. 

Door voedingsmiddelen met een hoge biologische waarde van de eiwitten te kiezen, zorg je dus dat je alle essentiële aminozuren binnenkrijgt.

Slide 20 - Tekstslide

Eiwitten bestaan uit aminozuren. 
Maar niet ieder eiwitrijk product bevat dezelfde aminozuren. De verhoudingen verschillen per product. Om een idee te geven van een aminozuurprofiel kan een biologische waarde aan toegekend worden. Het gaat daarbij om een getal tussen de 0 tot 100. 
Hoe hoger de biologische waarde, hoe meer het aminozuurprofiel in verhouding en hoeveelheid op het profiel van onze lichaamseigen eiwitten lijkt.

Door voedingsmiddelen met een hoge biologische waarde van de eiwitten te kiezen, zorg je dus dat je alle essentiële aminozuren binnenkrijgt

Wat wordt er bedoeld met volwaardige eiwitten?

Slide 21 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Volwaardige eiwitten

Slide 22 - Tekstslide

Uit voedsel met een hoge biologische waarde, dat dus veel lijkt op ons eigen lichaamseiwit, kan het lichaam veel eiwitmoleculen opbouwen. Dit noemen we ook wel volwaardige eiwitten. 
Welk nadeel brengt een hoge consumptie van dierlijke eiwitten met zich mee?

Slide 23 - Open vraag

Een hoge consumptie van dierlijke eiwitten bevat vaak ook een hoge consumptie van verzadigde vetten. Daarom wordt een verhouding van dierlijk en plantaardig vet aanbevolen van 1:1.
Wat is/zijn de functie(s) van koolhydraten in je lichaam?
A
Reservestof
B
Bouwstof
C
Beschermende stof
D
Brandstof

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Disachariden
Oligosachariden
Monosachariden
Polysachariden
Enkelvoudige monosacharide
Twee monosachariden
3 tot 9 monosachariden
Meer dan 9 monosachariden

Slide 25 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de bloedsuikerspiegel?

Slide 26 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Bloedsuikerspiegel
Glucosegehalte heet ook wel de bloedsuikerspiegel. In medische termen ook glykemie genoemd. Het lichaam zorgt ervoor dat de bloedsuikerspiegel binnen normale grenzen blijft. 

Na het eten van een maaltijd met 
koolhydraten begint de bloedsuiker-
spiegel al vrij snel te stijgen. 

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent een glykemische index
A
De waarde van de bloedsuiker
B
De bloeddruk
C
Hartslag
D
Waarde in hoeverre een kH de bloedsuikerspiegel beïnvloedt

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De invloed van koolhydraten
De koolhydraten uit onze voeding hebben een grote invloed op de bloedsuikerspiegel van ons bloed. 

Het getal dat aangeeft in welke mate een koolhydraat de bloedsuikerspiegel in het bloed beïnvloedt, wordt de glykemische index genoemd. 

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Glykemische index (GI)
Met behulp van deze index kunnen voedingsmiddelen worden ingedeeld op naar hun effect op de bloedsuikerspiegel. 

Hoge GI
Lage GI
worden snel opgenomen
worden langzamer opgenomen
sterke stijging bloedsuikerspiegel
nauwelijks een stijging van de bloedsuikerspiegel
'snelle' of 'slechte' koolhydraten
'langzame' of 'goede' koolhydraten
G.I. van meer dan 70
G.I. van 50 of lager

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke stelling is juist?
A
Snelle koolhydraten hebben een lage GI
B
Snelle koolhydraten hebben een hoge GI
C
Langzame koolhydraten hebben een hoge GI
D
Langzame koolhydraten hebben een lage GI

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn de eilandjes van Langerhans?

Slide 32 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Eilandjes van Langerhans

  • Liggen in de alvleesklier
  • Endocriene klieren
  • Produceren insuline en glucagon

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat doet het hormoon insuline?

Slide 34 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Insuline
  • Verlaagd de bloedsuikerspiegel
  • Zorgt ervoor dat bloedsuiker kan worden opgenomen in het lichaam.
  • Het lichaam maakt van bloedsuiker energie om van te leven. 

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de werking van glucagon?

Slide 36 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Glucagon
  • Wordt aangemaakt in de alvleesklier
  • Verhoogt de bloedsuikerspiegel als die te veel zakt
  • Opgeslagen suiker in de lever komt vrij als de bloedsuikerspiegel te laag is. 
  • De bloedsuikerspiegel stijgt weer!  

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe wordt de bloedsuiker geregeld?

Slide 38 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe wordt de bloedsuiker geregeld?

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke stelling is juist?
A
Bij een hoge bloedsuikerspiegel wordt glycagon aangemaakt
B
Bij een hoge bloedsuikerspiegel wordt glycogeen aangemaakt
C
Bij een lage bloedsuikerspiegel wordt insuline aangemaakt
D
Bij een hoge bloedsuikerspiegel wordt insuline aangemaakt

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vocht heeft vier belangrijke functies in ons lichaam. Welke zijn dit?

Slide 41 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies



  • Bouwstof van alle cellen
  • Bevindt zich in de eiwitstructuren
  • Water zit ook tussen de cellen
  • Dient als smeermiddel bij de samentrekking van spieren
Vocht als bouwstof

Slide 42 - Tekstslide

Water is de bouwstof van alle cellen en bevindt zich in de eiwitstructuren. Ook de ruimte tussen de cellen is opgevuld met water. Het dient als smeermiddel bij de samentrekking van spieren, zoals samentrekkende bewegingen van de maag bij de spijsvertering. 


  • Transportmiddel in de bloedbaan en lymfevaten
  • Van en naar cellen
  • Voedingsstoffen, stofwisselingsproducten, afvalstoffen, hormonen, mineralen en vitamines

Vocht als transportmiddel

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In water kunnen stoffen worden opgelost. 
Bijvoorbeeld kalium en natrium opgelost 
in water zorgen voor een juiste verhouding 
van water in en om cellen. Ze houden de druk (osmotische waarde) in en om de cellen in evenwicht. 

Tevens is water belangrijk voor het maken van spijsverteringssappen en voor het 'oplossen' van voedsel in het spijsverteringskanaal. 
Water als oplosmiddel

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies



  • Warmtebindend vermogen: invloeden van buitenaf hebben niet snel gevolgen voor de lichaamstemperatuur
  • Hoge verdampingswarmte: er is veel energie (warmte) nodig om te verdampen. Zoals bijvoorbeeld bij sporten of intensieve arbeid. Je lichaam kan zichzelf koelen door te zweten. 


Water als temperatuurregelaar

Slide 45 - Tekstslide

Water heeft een sterk warmtebindend vermogen. Invloeden van buitenaf (zoals warm of koud weer) hebben niet zo snel gevolgen voor de lichaamstemperatuur.
Water heeft ook een hoge verdampingswarmte, dat wil zeggen dat er veel energie (warmte) nodig is om te verdampen. Bij sporten of intensieve arbeid produceert het lichaam veel warmte. Hierdoor gaat je lichaam zweten. Zweet is een oplossing van natrium en kalium in water. Door te zweten koelen we weer af. 
De vochtbalans in ons lichaam is erg belangrijk. Leg de vochtbalans uit.

Slide 46 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

In welke situaties heb je meer vocht nodig?
Noem er drie.

Slide 47 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

5a. Benoem het VERSCHIL tussen vitamines en mineralen.

Slide 48 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

5b. Welke vitamines zijn wateroplosbaar?

Slide 49 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

5c. IJzer is een belangrijk mineraal om voldoende binnen te krijgen. Wat zijn de gevolgen van een ijzertekort?

Slide 50 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies