Bijvoegelijke naam,woorden - TaalCompleet 1.9 - De grote kast - de kleine spiegel

Hoe was jullie weekend?

1 / 15
volgende
Slide 1: Woordwolk
newEditorNederlandsISK

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Hoe was jullie weekend?

Gebruik de woorden uit de woordwolk om de koppeling te maken naar bijvoeglijke naamwoorden, zoals groot, rood, vies, oud, gek en mooi.


Bijvoegelijke Naamwoorden

1.9 De grote kast - de kleine spiegel

Deze slide heeft geen instructies

Wat gaan we doen?

  • Bijvoeglijke naamwoorden



Lesdoel:

Je kunt de bijvoeglijke naamwoorden op de juiste manier schrijven.


Deze slide heeft geen instructies

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

De houten kast is niet duur. De kast is groot.

Johan verkoopt een kleine spiegel. De spiegel is rond.

Deze slide heeft geen instructies



  • De houten kast is niet duur. De kast is groot.

  • Johan verkoopt een kleine spiegel. De spiegel is rond.


Met bijvoeglijke naamwoorden kun je informatie over een mens, dier of ding geven.



Houd het eenvoudig op A2-niveau: benadruk dat het woord meer informatie geeft. Vermijd te veel grammaticale termen naast de kernterm.

Plaats in de zin

Aan het eind van de zin:

Voor een mens, dier of ding:

meestal + e


  • de grote stoel

  • de rode lamp

  • de vierkante tafel

kortste vorm


  • De stoel is groot.

  • De lamp is rood.

  • De tafel is vierkant.

Dit is de kernregel van de les. Gebruik steeds dezelfde voorbeelden links en rechts, zodat leerlingen het verschil tussen groot en grote, rood en rode goed zien.

Uitzondering 1


Woorden met één klinker met daarna één medeklinker aan het eind:


  • De stoel is wit - de witte stoel

  • Het kleed is dik - het dikke kleed


Je verdubbelt de medeklinker.

Leg uit dat de klank kort moet blijven. Gebruik alleen herkenbare voorbeelden en schrijf ze groot op het bord.

Uitzondering 2


Woorden met twee dezelfde klinkers en één medeklinker aan het eind:


  • De kast is groot - de grote kast

  • De tafel is laag - de lage tafel


Je haalt een klinker weg.

Leg uit dat de klank kort moet blijven. Gebruik alleen herkenbare voorbeelden en schrijf ze groot op het bord.

Uitzondering 3


Woorden met twee klinkers of een ij, met daarna een s of een f:


  • Het kind is lief - het lieve kind

  • Het kleed is grijs - het grijze kleed

  • De tafel is vies. - de vieze tafel


De s wordt een z.

De f wordt een v.

Leg uit dat de klank kort moet blijven. Gebruik alleen herkenbare voorbeelden en schrijf ze groot op het bord.

Woorden voor materialen


Sommige woorden zeggen van welk materiaal iets is. Je schrijft dan en.


  • een houten tafel

  • een gouden ring

  • een wollen trui

Gebruik het woord materiaal expliciet. Dit is de uitzondering uit de lesinput: niet gewoon -e, maar vaak -en.

Samenvatting


  1. Zoek het bijvoeglijk naamwoord.

  2. Staat het aan het eind van de zin? > korte vorm

  3. Staat het voor een mens, dier of ding? > +e of een uitzondering

  4. Is het een materiaal? > +en.

Dit is een samenvattende strategie voor de begeleide inoefening uit het boek. Laat leerlingen deze stappen gebruiken tijdens het werken.

Huiswerk voor dinsdag

Maak opdracht 65, 66, 67, 69 en 70 (blz. 27 t/m 29).


Opdracht 70 maak je op een werkblad. Dit lever je in.



Deze slide bereidt voor op de extra opdracht met een meubelkaart en een advertentie. Houd de focus op bruikbare woordgroepen.

Wat zegt een bijvoeglijk naamwoord?

A

iets extra's

B

een plaats

C

een tijd

D

een naam

Sluit aan op slides 2-6: het bijvoeglijk naamwoord geeft extra informatie over een mens, dier of ding.



Maak een zin met twee bijvoeglijke naamwoorden bij de foto.

Deze slide heeft geen instructies

Woordenlijst

bijvoeglijk naamwoord - woord dat iets extra's zegt over een mens, dier of ding

klinker - a, e, i, o, u, ij

medeklinker - alle andere letters uit het alfabet

materiaal - stof waarvan iets gemaakt is

Deze slide heeft geen instructies