cross

Quiz H4

In een arbeidsovereenkomst staan de volgende afspraken:
A
Welk werk je gaat doen, hoeveel uur je werkt, je loon
B
Een uitgebreide omschrijving van je werkzaamheden
C
Je loon
1 / 21
volgende
Slide 1: Quizvraag
Economie & OndernemenMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

In een arbeidsovereenkomst staan de volgende afspraken:
A
Welk werk je gaat doen, hoeveel uur je werkt, je loon
B
Een uitgebreide omschrijving van je werkzaamheden
C
Je loon

Slide 1 - Quizvraag

Wat is een CAO?
A
Centrale Arbeidsovereenkomst
B
Collectieve Arbeidsonderneming
C
Centrale Arbeidsonderneming
D
Collectieve Arbeidsovereenkomst

Slide 2 - Quizvraag

CAO
De meeste afspraken in een arbeidsovereenkomst komen uit de
cao (collectieve arbeidsovereenkomst).

  • In de cao staan de arbeidsvoorwaarden voor iedereen in een bedrijfstak.
  • Een bedrijfstak is bijvoorbeeld de gezondheidszorg, de bouw of het onderwijs.

Slide 3 - Tekstslide

Het bedrag wat op je rekening komt noemen we:
A
Brutoloon
B
Nettoloon

Slide 4 - Quizvraag

Het minimumjeugdloon geldt tot
A
16 jaar
B
18 jaar
C
21 jaar
D
23 jaar

Slide 5 - Quizvraag

Het brutoloon van Emre is €2000. Aan sociale premies betaald hij €200 en loonbelasting €100. Wat is het nettoloon van Emre?
A
€2300
B
€1800
C
€1700
D
€1900

Slide 6 - Quizvraag

Ada werkt voltijd in de horeca. Hij verdient 20% meer dan het minimumloon (€155,05). Bereken hoeveel hij per jaar verdient.

Slide 7 - Open vraag

arbeidsmotieven is
A
dingen waar je kan werken
B
alle antwoorde zijn goed
C
winkels
D
redenen om te willen werken

Slide 8 - Quizvraag

Noem drie arbeidsmotieven

Slide 9 - Open vraag

Wat is een productiesector?
A
Agrarische, Industriële en dienstverlenende bedrijven
B
Tuinbedrijf, een winkel en een fabriek
C
Agrarische en computerbedrijven
D
Agrarische bedrijven, winkels en dienstverlenende bedrijven

Slide 10 - Quizvraag

Slide 11 - Tekstslide

Welke productiesector zag je op de vorige dia?
A
Agrarische sector
B
Industriële sector
C
Dienstverlenende sector

Slide 12 - Quizvraag

Agrarische sector
industriële sector

dienstverlenende sector

landbouw, visserij, mijnbouw

fabrieken, bouw, ambachten (bakker, slager)
winkels, banken, overheid

Slide 13 - Sleepvraag


Talisha heeft een kledingzaak met 2 werknemers.
A
Leidinggevend werk
B
Uitvoerend werk

Slide 14 - Quizvraag

Wat is geschoold werk?
A
opzegtermijn
B
werk waar voor geen opleiding nodig is
C
werk waarvoor een opleiding nodig is
D
proeftijd

Slide 15 - Quizvraag

Wie zorgt op de arbeidsmarkt voor aanbod van arbeid?
A
Alle mensen die werk zoeken
B
Alle mensen met een baan
C
Bedrijven
D
De overheid

Slide 16 - Quizvraag

Slide 17 - Tekstslide

Beroepsbevolking =
A
15 jaar - pensioensleeftijd die werkt of werk zoekt
B
17 jaar - pensioensleeftijd die werkt of werk zoekt
C
Alle mensen tussen de 15 - 60 jaar
D
Alle mensen tussen de 17 - 60 jaar

Slide 18 - Quizvraag

Riccardo is werkloos en is niet op zoek naar een nieuwe baan. Hij heeft zich niet ingeschreven bij het UWV. Hoe noemen we dit ook wel?
A
Niet werkloos
B
Geregistreerd werkloos
C
Verborgen werkloos
D
Illegaal

Slide 19 - Quizvraag

Conjuncturele werkloosheid is:
A
de vraag daalt en daardoor daalt de productie
B
de vraag stijgt en daardoor stijgt de productie
C
De vraag daalt en daardoor stijgt de productie
D
De vraag stijgt en daardoor daalt de productie

Slide 20 - Quizvraag

Slide 21 - Tekstslide