HV1 - Unit 2, alle grammatica

Learning Targets
I can:
- Explain what the test looks like
- Explain the grammar I have to learn for the test
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Learning Targets
I can:
- Explain what the test looks like
- Explain the grammar I have to learn for the test

Slide 1 - Tekstslide

Exercises
OPTION 1
Learning Target
I can explain what the test looks like
What
Do the 'oefentoets'
How
Individually
Time
40 minutes
Done?
Grammar hand-out
OPTION 2
Learning Target
I can explain the grammar I have to learn for the test
What
Grammar hand-out
How
Individually
Time
40 minutes
Done?
Oefentoets

Slide 2 - Tekstslide

Exercise 1
Dikgedrukte woorden vertalen van Engels naar Nederlands

Slide 3 - Tekstslide

Exercise 2
Kies het juiste Engelse woord voor in de zin

Slide 4 - Tekstslide

Exercise 3
Vertaal de woorden van het Nederlands naar het Engels en zet ze in de juiste zin

Slide 5 - Tekstslide

Exercise 4
Vertaal de woorden die tussen haakjes in het verhaaltje staan naar het Engels

Slide 6 - Tekstslide

Exercise 5
Zet de woorden die tussen haakjes staan in het verhaaltje in het meervoud

Slide 7 - Tekstslide

Exercise 6
Kies de juiste vorm van that - these - this - those

Slide 8 - Tekstslide

Exercise 7
Vergelijk de twee figuren in de afbeelding met elkaar. Schrijf hierbij een zin met een vergelijking

Slide 9 - Tekstslide

Exercise 8
Kies in een zin tussen de present simple en de present continuous

Slide 10 - Tekstslide

Exercise 9
Schrijf de juiste tijd van de klok op. Schrijf je antwoord volledig in woorden uit, dus geen cijfers of digitale tijden

Slide 11 - Tekstslide

8 ways to make a plural
1 standaard methode = zelfstandig naamwoord + s                              trees
2 sis klank (-s, -x, -ch, etc) = zelfstandig naamwoord + es                  churches
3 medeklinker + -y = zelfstandig naamwoord + ies                                hobbies
4 -f(e) = zelfstandig naamwoord + ves                                                         lives
5 -ff = zelfstandig naamwoord + s                                                                 cliffs
6 -o = zelfstandig naamwoord + s of + es                                                   oreos
7 onregelmatig (die moet je leren)
8 Woorden die alleen maar meervoud hebben (die moet je ook leren)

Slide 12 - Tekstslide

Plurals (= meervoud):
What is the plural of:
A
tomatos
B
tomaten
C
tomato's
D
tomatoes

Slide 13 - Quizvraag

Plurals (= meervoud):
What is the plural of:
A
shoe
B
shoes
C
schoenen
D
shoos

Slide 14 - Quizvraag

Plurals (= meervoud):
What is the plural of:
A
child's
B
childs
C
kinderen
D
children

Slide 15 - Quizvraag

Plural (=meervoud):
What is the plural of:
A
heroes
B
hero's
C
heros
D
held

Slide 16 - Quizvraag

Plurals (= meervoud):
What is the plural of:
A
knife's
B
knifes
C
knives
D
kniven

Slide 17 - Quizvraag

Plurals (= meervoud):
What is the plural of:
A
taxies
B
taxi's
C
taxis
D
taxie's

Slide 18 - Quizvraag

Plurals (= meervoud):
What is the plural of:
A
mouses
B
mice
C
mices
D
mouse's

Slide 19 - Quizvraag

Plurals (= meervoud):
What is the plural of:
A
puppies
B
puppy's
C
puppys
D
puppen

Slide 20 - Quizvraag

Plurals (= meervoud):
What is the plural of:
A
tooth
B
teeths
C
teeth
D
tooths

Slide 21 - Quizvraag

Demonstratives
Dichtbij
Verder weg
Enkelvoud
this (dit, deze)
that (die, dat)
Meervoud
these (deze)
those (die)

Slide 22 - Tekstslide

Comparisons
Bij woorden met één lettergreep gebruik je -er en -est
-er: My car is faster than your bike
I am shorter than my brother

est: I am the youngest in the family
Summer is the hottest season


Slide 23 - Tekstslide

Comparisons
Bij woorden met twee of meer lettergrepen gebruik je more en most
- more: This chair is more comfortable than the couch
Scotland is more beautiful than France

- most: That racing car is the most powerful car you can buy
This is the most difficult test

Slide 24 - Tekstslide

Basisvorm
Vergrotende trap
Overtreffende trap
Eén lettergreep
young
younger
youngest
Eén lettergreep die eindigt met klinker + medeklinker
fat
fatter
fattest
Woorden op -e
nice
nicer
nicest
Woorden op -y
tiny
tinier
tiniest
Twee of meer lettergrepen
beautiful
more beautiful
most beautiful
Onregelmatig

good
bad
better
worse
best
worst

Slide 25 - Tekstslide

Present simple
Je gebruikt de present simple:
- bij feiten, blijvende situaties of iets wat in het algemeen waar is
- bij gewoontes en om aan te geven dat iets gebeurt
Signaalwoorden: sometimes, often, usually, always, never

Slide 26 - Tekstslide

Present simple
+
-
?
I/you
sing
do not sing
don't sing
Do I sing?
Do you sing?
He/she/it
sings
does not sing
doesn't sing
Does he/she/it sing?
We/you/they
sing
do not sing
don't sing
Do we/you/they sing?

Slide 27 - Tekstslide

Present continuous
Je gebruikt de present continuous:
- als je wilt zeggen dat iets bezig is op het moment dat je erover praat of schrijft
Signaalwoorden: at the moment, right now, now, today

Slide 28 - Tekstslide

Present continuous
Regels voor de spelling van werkwoorden:
1. Basisregel: Hele werkwoord + ing
2. Woorden die eindigen op -e
3. Woorden die eindigen op -ie
4. Verdubbel de laatste letter bij woorden die eindigen op één -l

Slide 29 - Tekstslide

Present continuous
Regels voor de spelling van werkwoorden:
5. Verdubbel de laatste letter bij korte woorden die eindigen op één klinker + medeklinker
6. Verdubbel de laatste letter bij woorden die eindigen op één klinker + medeklinker, maar alleen als de klemtoon op de laatste lettergreep valt

Slide 30 - Tekstslide