Argumentatie 3H

Argumentatie

1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 19 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Argumentatie

Slide 1 - Tekstslide

Basisschema argumentatie
  1. Enkel- en meervoudige argumentatie 
  2. Nevenschikkende argumentatie 
  3. Onderschikkende argumentatie
  4. Combinatie van nevenschikkende en onderschikkende argumentatie 

Slide 2 - Tekstslide

Argumentatie 
een standpunt onderbouwd met 1 argument 
noemen we enkelvoudige argumentatie

een standpunt onderbouwd met meer argumenten
noemen we meervoudige argumentatie

 

Slide 3 - Tekstslide

Enkelvoudige argumentatie
Enkelvoudige argumentatie

Slide 4 - Tekstslide

Meervoudige argumentatie
Bij een standpunt worden meerdere argumenten gegeven.
Elk argument staat op zichzelf.

Slide 5 - Tekstslide

Onderschikkende argumentatie
Vorm van meervoudige argumentatie
Een argument wordt ondersteund door een ander argument.
dus
want

Slide 6 - Tekstslide

Argumentatie

Slide 7 - Tekstslide

meervoudige argumentatie= nevenschikkende argumentatie

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Gelijk hebben vs. gelijk krijgen
Met een betoog probeert de schrijver jou ergens van te overtuigen. Jij bepaalt als lezer of dat lukt. Hiertoe stel jij jezelf vragen:
Klopt het wat de schrijver zegt in het betoog?
Zijn de argumenten wel waar?
Is het verhaal logisch?

Als je deze vragen instemmend kunt beantwoorden, ben je eerder geneigd de schrijver gelijk te geven.

Slide 10 - Tekstslide

Mening of standpunt

Met een mening maakt je duidelijk hoe jij over een bepaald oncerwerp denkt, dus hoe je daar tegenaan kijkt.

Een ander woord voor mening is standpunt.



Soms herken je een standpunt aan de volgende woorden:

Ik vind dat ... 
Volgens mij ... 
Dus ... 
Je zou ... moeten doen 
Ik denk ... 
Kortom ... 
Daarom ...

Slide 11 - Tekstslide

Argumenten

Je moet je standpunt kunnen onderbouwen. Dit doe je met argumenten; anders heeft jouw mening weinig waarde.

Zorg ervoor dat je 'sterke' argumenten hebt. Argumenten die gebaseerd zijn op feiten zijn altijd sterker. 


Het is belangrijk dat je bronnen kunt vermelden bij je argumenten die gebaseerd zijn op feiten.

Kijk daarbij wel of het betrouwbare bronnen zijn, dus of de feiten inderdaad waar zijn.

Slide 12 - Tekstslide

Argumenten

Zonder argumenten heeft jouw mening weinig waarde. Je moet je standpunt kunnen onderbouwen.

Hoe meer de argumenten bestand zijn tegen kritiek, hoe sterker ze zijn.

Feitelijke uitspraken zijn sterker. Ze zijn waar of onwaar.



Je kunt argumenten vaak herkennen aan signaalwoorden:
omdat
doordat
want

Slide 13 - Tekstslide

soorten argumenten
Feitelijke argumenten
Dit zijn uitspraken waarvan de schrijver denkt dat ze waar zijn. Let op: een feitelijk argument hoeft niet waar te zijn. Ze zijn wel controleerbaar.

Trump is de populairste president ooit (standpunt), want bij zijn inhuldiging was  er een enorme menigte (feitelijk argument, maar onwaar).

Slide 14 - Tekstslide

soorten argumenten
Waarderende argumenten
Dit zijn uitspraken met een waarde-oordeel. De schrijver vindt ergens iets van (goed-slecht, mooi-lelijk, wenselijk-onwenselijk)

Trump is de beste president ooit (standpunt), want zijn haar zit altijd zo goed (waarderend argument).

Slide 15 - Tekstslide

Tegenargument en weerlegging
Om iemands mening aan te vallen, kun je (op een nette manier) twee dingen doen:
1. Je valt het standpunt aan. Je gebruikt dan tegenargumenten
2. Je valt het argument van de ander aan. Je gebruikt dan een weerlegging. Dit is vooral nuttig bij een waarderend argument.

Je zegt wel dat Cambuur meer sfeer op de tribune heeft (arg), maar als je op Nieuw Noord staat, is er een orkaan van geluid. (weerlegg.)

Slide 16 - Tekstslide

Voorbeeld
Het is fijn dat de aarde opwarmt, want dan kunnen we in ons eigen land lekker veel zonnen (argument voor). Maar de kans dat je huidkanker krijgt, wordt daardoor wel een stuk groter (tegenargument). Als je je echter genoeg insmeert met zonnebrandolie en niet te lang in de zon blijft,  is er niets aan de hand (weerlegging).

Slide 17 - Tekstslide

Tegenargument en weerlegging
Om iemands mening aan te vallen, kun je (op een nette manier) twee dingen doen:

1. Je valt het standpunt aan. Je gebruikt dan tegenargumenten. Dit zijn argumenten tegen het standpunt.

Ik vind Cambuur de mooiste club van Nederland (standpunt), want zij hebben veel sfeer in het stadion.

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide