Hoofdstuk 5 par. 1 Balans deel 2 (mutatiebalans)

Hoofdstuk 5
De financiële administratie van een eigen bedrijf 
par. 5.1 De balans (deel 2 de mutatiebalans)
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 5
De financiële administratie van een eigen bedrijf 
par. 5.1 De balans (deel 2 de mutatiebalans)

Slide 1 - Tekstslide

planning van de les
  • huiswerk tot en met 5.6 doornemen
  • uitleg over de mutatiebalans
  • aan het werk met de opdrachten voor volgende week  

Slide 2 - Tekstslide

aan het einde van de les kun je
een mutatiebalans opstellen en 
weet je wat een mutatiebalans is

Slide 3 - Tekstslide

0

Slide 4 - Video

Hoe noemen we de rechterzijde van de balans ?
timer
0:30
A
Liquide middelen
B
Passiva
C
Debet
D
Activa

Slide 5 - Quizvraag

Wat is een debiteur ?
timer
0:30
A
Iemand waar we nog geld van krijgen
B
Een schuldeiser
C
Iemand aan wie we nog geld moeten betalen
D
Iemand die een lening heeft verstrekt

Slide 6 - Quizvraag

Wat staat er aan de debetzijde van de balans
timer
0:30
A
Het Eigen Vermogen
B
De schulden
C
De bezittingen
D
Crediteuren

Slide 7 - Quizvraag

Voorbeeld
Een bedrijf koopt voorraad voor €1.000,- en betaalt cash.





Verandering activa €0 en verandering passiva €0
 
 
 

Slide 8 - Tekstslide

Voorbeeld
Een bedrijf koopt voorraad voor €1.000,-. Ze betaalt cash  €250,- en koopt de rest op rekening. 
 



Verandering activa +€750 en verandering passiva +€750
 
 

Slide 9 - Tekstslide

Welke balansmutaties vinden er plaats?
Als:
De onderneming verkoopt goederen op rekening voor €14.200. De inkoopwaarde is €9.400.
A
Debiteuren +€14.200 Voorraad -€9.400 Eigenvermogen+€4.800
B
Debiteuren -€14.200 Voorraad -€9.400 Eigenvermogen+€4.800
C
Debiteuren +€14.200 Voorraad -€14.200
D
Debiteuren +14.200 Voorraad -€9.400 Eigenvermogen-€4.800

Slide 10 - Quizvraag

Hoe ziet dit eruit?
Verschil tussen verkoop en inkoop = brutowinst
Dit komt terecht in het eigen vermogen.

Slide 11 - Tekstslide

Welke balansmutaties vinden er plaats?
Betaling per bank aan crediteuren €14.000.
A
Kas -€14.000 Crediteuren +€14.000
B
Kas -€14.000 Crediteuren -€14.000
C
Bank -€14.000 Crediteuren -€14.000
D
Bank -€14.000 Crediteuren +€14.000

Slide 12 - Quizvraag

Hoe ziet dit eruit?
Betaling dus bank daalt.
Crediteuren (schuld) daalt, want er wordt afgelost.

Slide 13 - Tekstslide

Welke balansmutaties vinden er plaats?
Per kas gekocht goederen €1.400.
A
Voorraad -€1.400 Kas -€1.400
B
Voorraad +€1.400 Kas -€1.400
C
Voorraad -€1.400 Crediteuren -€1.400
D
Voorraad -€1.400 Crediteuren +€1.400

Slide 14 - Quizvraag

Hoe ziet dit eruit?
Betaling via kas, dus kas daalt.
Er wordt voorraad gekocht, dus voorraad stijgt. 

Slide 15 - Tekstslide

samengevat
  • Mutatie -> verandering
  • mutatiebalans -> welke balansposten met welk bedrag veranderen
  • winst vergroot het eigen vermogen

Slide 16 - Tekstslide

huiswerk voor volgende week 
tot en met opdracht 5.18 af 

Slide 17 - Tekstslide