MInor A1 Unidad 7

Minor A1
Unidad 7
El placer de viajar
 

1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansHBOStudiejaar 1

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Minor A1
Unidad 7
El placer de viajar
 

Slide 1 - Tekstslide

El placer de viajar 
  • een hotelkamer reserveren
  • inlichtingen inwinnen
  • zeggen wat je leuk vindt
  • ergens mee instemmen
  • een ansichtkaart schrijven
  • over ervaringen praten
  • klagen zich verontschuldigen en daarop reageren

Slide 2 - Tekstslide

El placer de viajar 
  • persoonlijke voornaamwoorden als meewerkend voorwerp
  • werkwoorden met een onregelmatige 1e persoon
  • también, tampoco
  • Presente Perfecto
  • onregelmatige vormen
  • gebruik muy/mucho

Slide 3 - Tekstslide

¿Qué vamos a hacer hoy?
  • Los deberes: Unidad 7 (oefening 1 t/m 10)
  • Korte herhaling van el objeto indirecto = meew.vw.
  • Unidad 7 afmaken
  • Na afloop kun je  nu de brief (af)maken ....
  • ... en gaan leren voor de TT7-8

Slide 4 - Tekstslide

Pero primero… ¡Vamos a repasar!
  • El objeto indirecto 
  • El objeto directo

Slide 5 - Tekstslide

Los verbos del tipo de gustar

- gustar 
- encantar 
- interesar 
- molestar  

Beklemtoond meew.vw.

1.  (a mí)
2. (a ti)
3. (a él, ella, usted)
1.  (a nosotros/as)
2. (a vosotros/as)
3. (a ellos, ellas, ustedes)

Deze mag ....
Meew.vw.

1. me 
2. te
3. le
1. nos
2. os
3. les

... deze moet! 

FOUT:     A mí gusta la música.                                    A él gustan los coches.
GOED:    A mí me gusta la música.                              A él le gustan los coches.

Slide 6 - Tekstslide

Ik houd van muziek.
A mí me gusta la música.
Hij is dol op muziek.
A él le encanta la música.
Pedro is geinteresseerd in muziek.
A Pedro le interesa la música.
Wij hebben last van de muziek.
A nosotros nos molesta la música.
Pedro en ik hebben last van de muziek.
A Pedro y mí nos molesta la música.
Pedro en Carmen houden van muziek.
A Pedro y Carmen les gusta la música.

Slide 7 - Tekstslide

TB nr.8 p.66
Werkwoorden met een onregelmatige ik-vorm
 
hacer = doen, maken                                      ik-vorm = hago
poner = (neer)zetten, (neer)leggen         ik-vorm = pongo
venir = komen                                                    ik-vorm = vengo
decir = zeggen                                                   ik-vorm = digo
salir = uitgaan, vertrekken                            ik-vorm = salgo
traer = brengen                                                  ik-vorm = traigo
(WB.oef.16 p.72)

Slide 8 - Tekstslide

TB nr.8b p.66 
¿Cómo buscas estos verbos en el diccionario? 
bebo  -                             son - 
digo -                                tengo -
pongo -                            traigo - 
prefiero -                         vengo -
quieres -                          vamos -
salgo -                              puedes - 

Slide 9 - Tekstslide

Voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)
In het Nederlands gebruik je om de v.t.t. te maken het hulpwerkwoord hebben of zijn + voltooid deelwoord

Ik heb gewerkt.
Zij zijn naar het werk gegaan.

Slide 10 - Tekstslide

De Perfecto (v.t.t.)
 In het Spaans gebruik je om de v.t.t. te maken alleen het 
hulpwerkwoord haber + participio (= voltooid deelwoord)

He trabajado. = Ik heb gewerkt.
Han ido al trabajo . = Zij zijn naar het werk gegaan.

 

Slide 11 - Tekstslide

Hoe maak je de Perfecto? 
haber
1. he 
2. has                    + participio
3. ha                               =
1. hemos               + stam           + ado (-ar werkwoorden)
2. habéis                                        + ido   (-er en -ir werkwoorden)
3. han 

Slide 12 - Tekstslide

Ejemplos
1. He visitado el museo.              Ik heb het museum bezocht.
2. ¿Has trabajado hoy?               Heb jij vandaag gewerkt?
3. Pablo no ha comido.                Pablo heeft niet gegeten
1. Hemos bebido un vino.           Wij hebben wijn gedronken.
2. ¿Habéis vivido en Cuba?       Hebben jullie in Cuba gewoond?
3. Han dormido mucho.              Zij hebben veel geslapen.
  

Slide 13 - Tekstslide

Formas irregulares

Onregelmatige vormen 

(Zie paragraaf 7.4 p.126)
abrir - abierto
decir - dicho
hacer - hecho
poner - puesto
ver - visto
escribir - escrito
volver - vuelto
Ojo:
ir - ido
ser - sido
leer - leído



Slide 14 - Tekstslide

Wanneer gebruik je de Perfecto?
  • voor gebeurtenissen in het verleden die een verband hebben met het heden. De Perfecto komt vaak voor in combinatie met  hoy, esta semana, este año, etc.
  • voor gebeurtenissen waarvan het tijdstip niet van belang is. Vaak in combinatie met alguna vez, muchas veces, todavía (no), ya, (no)...nunca

Slide 15 - Tekstslide

Tekstboek p.67 
nr. 9 en 10 a
a.  Lees hardop de ansichtkaart.
b. Vertaal samen de kaart.
c. Wat heeft Lucía in haar vakantie gedaan? (9a)
d. Onderstreep alle werkwoorden die in de Perfecto staan.
d. Vul het schema bij 9b aan.
e. Maak oef. 10a.
 

Slide 16 - Tekstslide

En grupos 
  •  
  • WB oef. 16 (ik-vorm)
  • WB oef. 17 en 18 ( Presente Perfecto)
  • TB nr. 7 en WB oef. 14

Slide 17 - Tekstslide

Vamos a practicar

Slide 18 - Tekstslide

Esta semana yo__________ mucho café

A
ha bebido
B
hemos bebido
C
he bebido
D
has bebido

Slide 19 - Quizvraag

Hoy nosotros no_______________ clase.
A
has tenido
B
hemos tenido
C
ha tenido
D
han tenido

Slide 20 - Quizvraag

Het voltooid deelwoord van escribir is:
El participio de escribir es:
A
escrito
B
escribido
C
escribo
D
escribe

Slide 21 - Quizvraag

¿Qué has hecho este fin de semana?
Wat heb je dit weekend gedaan?
A
He visto muchas películas.
B
Has visto muchas películas.
C
He vido muchas películas

Slide 22 - Quizvraag

decir
abrir
escribir
hacer
ir
ser
volver
   dicho
abierto
  escrito
   hecho
  ido
   sido
  vuelto

Slide 23 - Sleepvraag

Welke werkwoorden
hebben een onregelmatig voltooid deelwoord?

Slide 24 - Woordweb

¿Cómo se dice?
Ik vond de film heel leuk. Gebruik de Perfecto.

Slide 25 - Open vraag

¿Has montado en globo alguna vez?
Sí, he montado en globo una vez.

No, nunca he montado en globo.
No, no he montado nunca en globo.

Sí, una vez.
Sí, muchas veces.
No, nunca.

Slide 26 - Tekstslide

Het gebruik van muy/mucho TB p.127-128
  • Muy (heel, erg) staat voor: - bijvoeglijke naamwoorden                                                                        - bijwoorden
  • Mucho (heel, veel, vaak) is als bijwoord onveranderlijk en staat bij het werkwoord of alleen
  • Mucho (veel, vele) is als bijvoeglijk naamwoord veranderlijk en richt zich in getal/geslacht naar het zelfstandig naamwoord.

Slide 27 - Tekstslide

muy 
1. Muy + bijvoeglijk nw. (adjetivo)
  • Es una ciudad muy bonita
  • Tiene plazas muy antiguas.
  • También es muy grande.
  • Los edificios son muy altos.

Bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord.

Slide 28 - Tekstslide

muy 
2. Muy + bijwoord (adverbio)
  • Llego a casa muy tarde.
  • Vive muy lejos.
  • El examen es muy temprano.
  • Tú hablas muy bien español.

Bijwoord zegt iets over een werkwoord, een bijv.nmw., een ander bijwoord of een hele zin.

Slide 29 - Tekstslide

mucho  
3. Mucho + werkwoord of alleen
  • He viajado mucho en avión.
  • Los bares me han gustado mucho
  • ¿Te gusta? - Sí, mucho,

Slide 30 - Tekstslide

mucho-a/-os/-as
4. Mucho/-a/-os/-as + zelfstandig naamwoord (sustantivo) 
  • En Mallorca hay mucho turismo
  • También hay mucha oferta cultural.
  • Sevilla tiene muchos  monumentos .
  • También hay muchas plazas

Slide 31 - Tekstslide

Tekstboek nr. 13 p.68
 
Grizel habla de sus vacaciones.  Lee las frases de 13b. (
a. Escucha y contesta
- ¿Adónde ha ido?
- ¿En qué medio de transporte?
- ¿Qué tal el viaje? 
b. Marca las informaciones correctas



b. Ma
50
Yucatán
en avión y autobús
lindo

Slide 32 - Tekstslide

TB 13d p. 68 
muy - mucho/a/os/as 
Lees de tekst en vul in:
     "muy" of "mucho"
timer
3:00

Slide 33 - Tekstslide

TB nr.14 p.69 No hay nada perfecto
  1. Luister naar de dialogen.
  2. Wat is het probleem?
  3. Hoe spreek je iemand aan?
  4. Hoe vertel je wat je klacht/probleem is.
  5. Hoe verontschuldig je je?
  6. Hoe reageer je op een klacht?
51
52
53
54

Slide 34 - Tekstslide

Iemand aanspreken
  • oiga/oye
  • buenos días,buenas tardes..
  • por favor,...
  • mire/mira
Klagen
  • Perdone, pero no he pedido sopa, sino ensalada.
  • Mire, es que tengo un pequeño problema. He reservado la habitación con bañera y sólo tengo ducha.
  • Tenemos un problema. El aire acondicionado no funciona.

Slide 35 - Tekstslide

Zich verontschuldigen
  • ¿Ensalada? Disculpe, ahora mismo la traigo.
  • Lo siento. Ha sido un error. Enseguida le damos una con bañera.
  • Ah sí, perdone las molestias. Ya tenemos otro coche para usted.
Reageren
  • No pasa nada.
  • Está bien, gracias.
  • Gracias, muy amable (de usted).

Slide 36 - Tekstslide

Deberes
  1. Maken oefeningen WB. U7
  2. Maken R&S U.7

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Video

Slide 39 - Video

Slide 40 - Video