BINDING · VEILIGHEID
Veiligheid en criminaliteit
Examenstof maatschappijwetenschappen havo
BINDING · VEILIGHEID
Veiligheid en criminaliteit
Examenstof maatschappijwetenschappen havo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: D3 (16.1-16.7), D4 (17.1-17.3). Image credit: Syced / Wikimedia Commons, CC0
BINDING · VEILIGHEID
Wat ga je kunnen?
Ik kan uitleggen hoe onveiligheid, criminaliteit en overheidsbeleid samenhangen, met de begrippen uit de syllabus.
Deze slide heeft geen instructies
Wanneer voel jij je veilig of juist onveilig, en waardoor?
Laat leerlingen woorden en situaties inbrengen. Verwachte woorden: donker, uitgaan, sociale media, nieuws, camera's, politie, buurt, inbraak, online oplichting, storm. Groepeer op het bord in 'wat er echt gebeurt' en 'wat ik voel of hoor'. Dat zijn objectieve en subjectieve onveiligheid in blok 2. Blok 1 gaat over soorten bedreigingen, blok 3 over criminaliteit en verklaringen, blok 4 en 5 over straffen en beleid.
De Oosterscheldekering bij Vrouwenpolder in Zeeland, 2022
BINDING · VEILIGHEID
Drie soorten bedreigingen
Bedreigingen van natuurlijke aard: storm, overstroming, (pan)epidemische ziekteverwekkers.
Technologisch: industriële ongevallen, brand of explosie, vervuiling, uitval van energie of communicatie.
Sociaal: criminaliteit, terreur, (burger-)oorlog en oproer.
Bij technologische en sociale bedreigingen gaat het om gevolgen van menselijk handelen.
Syllabus 16.1: bedreigingen voor de veiligheid van groepen worden naar hun aard in drie categorieën verdeeld: natuurlijk, technologisch en sociaal. Bij technologische en sociale bedreigingen gaat het om potentiële gevolgen van menselijk handelen. Menselijk handelen kan ook de natuurlijke bedreigingen vergroten of verkleinen. De foto toont de Oosterscheldekering, een onderdeel van de Deltawerken: een technologisch antwoord op een natuurlijke bedreiging. Veelgemaakte fout: denken dat natuurlijke bedreigingen buiten het menselijk handelen vallen, terwijl dat handelen ze juist kan vergroten of verkleinen. Image credit: Dietmar Rabich / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Monument voor de vuurwerkramp in Enschede (2000), foto uit 2019
BINDING · VEILIGHEID
Oude gevaren af, nieuwe risico's erbij
Technologie maakte gevaren kleiner: vaccinaties tegen ziekten, Deltawerken tegen overstromingen.
Maar ook nieuwe risico's: luchtverontreiniging, gentechnologie, terrorisme. De gevolgen zijn vaak onbekend.
In de risicomaatschappij (Beck) is onduidelijk wie verantwoordelijk is voor risico's.
Gevolg: minder vertrouwen in en minder binding met sociale en politieke instituties.
Syllabus 16.1 (hoofdconcept binding): een hoge mate van materiële zekerheid gaat mede door technologische ontwikkeling samen met grote, vaak onzichtbare risico's. Kenmerk van nieuwe risico's: het zijn gevolgen van menselijk handelen, de aard en omvang zijn onbekend en het is onduidelijk welke maatregelen passen. Ze zijn vaak terug te voeren op (het uitblijven van) beslissingen van bedrijven, politiek en openbaar bestuur, wat tot conflicten kan leiden. Ulrich Beck noemt dit de risicomaatschappij. De foto toont het monument voor de vuurwerkramp in Enschede (2000), een voorbeeld van een industrieel ongeluk. Veelgemaakte fout: denken dat technologie alleen veiliger maakt. Het neemt oude gevaren weg, maar brengt ook nieuwe risico's. Image credit: Steven Lek / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
BINDING · VEILIGHEID
Onveiligheid als vraagstuk
Onveiligheid is een maatschappelijk vraagstuk: het staat hoog op de publieke agenda, zoals bevolkingsonderzoeken laten zien.
Het is ook een politiek vraagstuk: de staat moet veiligheid bieden en de openbare orde handhaven. Dat hoort bij zijn basisfuncties.
Daarnaast vinden veel mensen dat de overheid actie moet ondernemen om de veiligheid te vergroten.
Syllabus 16.2: onveiligheid is maatschappelijk omdat het hoog op de publieke agenda staat, en politiek omdat het verschaffen van veiligheid tot de basisfuncties van de staat wordt gerekend en omdat veel mensen vinden dat de overheid actie moet ondernemen. Vraag aan de klas: waarom wordt dit onderwerp rond verkiezingen zo vaak genoemd? Veelgemaakte fout: onveiligheid alleen als een zaak van politie en justitie zien. Het is ook een kwestie van wat burgers belangrijk vinden en wat politici daarmee doen.
Een chemiebedrijf brandt af en vervuilt de omgeving. Welke bedreiging is dit?
Een bedreiging van technologische aard
Een bedreiging van natuurlijke aard
Een bedreiging van sociale aard
Een bedreiging van politieke aard
Syllabus 16.1: industriële ongevallen en ernstige verontreiniging zijn technologisch. Verwachte fout: sociaal kiezen omdat mensen de oorzaak zijn. Dat geldt voor technologisch en sociaal samen; sociaal is criminaliteit, terreur, oorlog en oproer.
Vul in
Criminaliteit, terreur en oproer zijn bedreigingen van sociale aard. Storm en overstroming horen bij de natuurlijke aard.
Syllabus 16.1. Verwachte fout: technologische invullen voor criminaliteit omdat daar technologie bij komt kijken, zoals bij cybercriminaliteit. De indeling gaat om de aard van de bedreiging.
Bewakingscamera in de openbare ruimte, Ebisu Garden Place (Tokio), 2023
BINDING · VEILIGHEID
Objectieve en subjectieve onveiligheid
Objectieve onveiligheid: de aard en omvang van criminaliteit, ongevallen en rampen.
Subjectieve onveiligheid: hoe mensen criminaliteit, ongevallen en rampen beleven: gevoelens van onveiligheid.
Je kunt je onveilig voelen in een omgeving die objectief veilig is.
Wie zich onveilig voelt, neemt vaker preventieve maatregelen en loopt minder kans slachtoffer te worden.
Syllabus 16.3: objectief gaat om aard en omvang, subjectief om de beleving en gevoelens van onveiligheid. Er is vaak een kloof tussen de volgens wetenschap en techniek berekende risico's en de maatschappelijke perceptie van risico's. Omdat mensen die zich onveilig voelen vaker preventieve maatregelen nemen, lopen zij minder kans om echt slachtoffer te worden. Maak het concreet met de foto: cameratoezicht kan het gevoel van veiligheid beïnvloeden zonder dat het aantal delicten verandert. Veelgemaakte fout: objectief als 'waar' en subjectief als 'onzin' zien. Subjectieve onveiligheid is een echt verschijnsel met echte gevolgen. Image credit: Syced / Wikimedia Commons, CC0
BINDING · VEILIGHEID
Beeldvorming over onveiligheid
Beeldvorming: het beeld dat mensen van risico's krijgen, door informatie, media en de politieke agenda.
Jouw inschatting van hoeveel en welke risico's er zijn, hangt af van de informatie die je ontvangt en de prioriteit op de politieke agenda.
Lezers en kijkers gebruiken hun bestaande kennis (referentiekader) bij nieuwe gebeurtenissen. Dat kan leiden tot selectiviteit.
Ook makers van berichten zijn selectief: aspecten van eerdere rampen of misdrijven kunnen het frame voor nieuwe berichtgeving bepalen.
Berichtgeving in de media kan bijdragen aan subjectieve onveiligheid.
Syllabus 16.4: hoe mensen risico's inschatten wordt beïnvloed door informatie, door beeldvorming die media creëren en door de prioriteit op de politieke agenda. Het referentiekader van kijkers en lezers wordt beïnvloed door berichtgeving, wat tot selectiviteit kan leiden. Ook bij producenten van berichtgeving speelt selectiviteit een rol. De syllabus verwijst voor de rol van media naar domein E. Het begrip beeldvorming is hier zo omschreven dat het aansluit bij de tekst van 16.4. Veelgemaakte fout: denken dat media de objectieve onveiligheid veranderen. Media beïnvloeden vooral het beeld en daarmee de subjectieve onveiligheid.
BINDING · VEILIGHEID
Veiligheidsutopie en het dilemma
De roep om een veilige samenleving groeit, tegen de achtergrond van de risicomaatschappij.
Veiligheidsutopie: mensen willen optimale individuele vrijheid én krachtdadig overheidsoptreden dat veiligheid garandeert.
Zo komen twee tegenovergestelde behoeften samen: vrijheid en veiligheid.
Dilemma van de rechtsstaat: rechtshandhaving (burgers beschermen) tegenover rechtsbescherming (vrijheid van burgers respecteren).
Voorbeeld: mag de overheid de privacy schenden voor criminaliteitsbestrijding?
Syllabus 16.5: de risicomaatschappij heeft haar eigen utopie gebaard: de vereniging van twee tegenovergestelde behoeften, vrijheid en veiligheid. In de rechtsstaat bestaat op alle niveaus het dilemma tussen rechtshandhaving (bescherming tegen terrorisme, criminaliteit en overlast, waarvoor overheidsoptreden nodig is) en rechtsbescherming (respect voor de vrijheid van burgers). Dit leidt tot voortdurende discussie, bijvoorbeeld over privacy. Laat leerlingen beide kanten beargumenteren zonder zelf een standpunt op te leggen. Veelgemaakte fout: rechtshandhaving en rechtsbescherming omwisselen. Handhaving beschermt de burger tegen anderen, bescherming beschermt de burger tegen de overheid.
Inbraken in wijk Lindenhof dalen, maar bewoners voelen zich onveiliger. Wat laat dit zien?
Objectieve onveiligheid stijgt terwijl subjectieve daalt
Beide vormen van onveiligheid nemen toe
Beide vormen van onveiligheid nemen af
Subjectieve onveiligheid stijgt terwijl objectieve daalt
Syllabus 16.3: de daling van inbraken is objectief meetbaar, het gevoel is subjectief. Verwachte fout: de twee omdraaien. Objectief gaat over aard en omvang, subjectief over beleving.
Welke twee behoeften verenigt de veiligheidsutopie?
Syllabus 16.5. Goed antwoord: vrijheid (optimale individuele vrijheid) en veiligheid (krachtdadig optreden van de overheid dat collectieve veiligheid garandeert). Verwachte fout: veiligheid en gelijkheid noemen, of alleen veiligheid.
BINDING · VEILIGHEID
Wat is criminaliteit?
Criminaliteit: gedrag dat mensen, dieren of het milieu schade toebrengt en door de wet strafbaar is gesteld.
Voorbeelden: vermogensdelicten, geweldsdelicten en cybercriminaliteit.
Wat strafbaar is, verschilt per land en periode: gedrag kan na verloop van tijd niet meer of juist wel als criminaliteit gelden.
Oorzaken: technologie (digitalisering), maatschappij (individualisering, globalisering), normen en waarden en de moraal van wie macht heeft.
Criminaliteit is dus een relatief en cultuurbepaald begrip.
Syllabus 16.6: gedrag dat schade toebrengt wordt crimineel gedrag genoemd als het strafbaar is gesteld. Voorbeelden: vermogens-, geweld- en cybercriminaliteit. Verschillen in definities en strafbaarstelling komen voort uit de technologische context, de maatschappelijke context en opvattingen en normen en waarden van de bevolking; voor strafbaarstelling is ook de moraal van degenen met politieke macht van belang. Ook de aard en omvang van criminaliteit verschillen tussen landen en perioden. Geef geen cijfers over omvang of ontwikkeling: alleen met een actuele CBS- of WODC-bron erbij. Veelgemaakte fout: denken dat criminaliteit hetzelfde is als alles wat moreel verkeerd is. Het gaat om wat de wet strafbaar stelt.
BINDING · VEILIGHEID
Verklaringen: binding en ongelijkheid
Bevorderend: minder sociale cohesie en minder informele en formele sociale controle (gezin, school, verenigingen).
Ook bevorderend: groepen waarin crimineel gedrag de norm is, losser gezag van de politie en meer ongelijkheid.
Bindingstheorie: sterke bindingen met gezin, school en vriendengroep remmen criminele impulsen.
Anomietheorie: de samenleving stelt doelen zonder dat de middelen toereikend zijn, en dat werkt afwijkend gedrag in de hand.
Sociale achterstand en stress door weinig kansen kunnen mensen eerder tot crimineel gedrag brengen.
Syllabus 16.7 (hoofdconcepten binding en verhouding): factoren die criminaliteit kunnen bevorderen zijn minder sociale cohesie en sociale controle, meer groepsvorming in criminele (jeugd)groepen, losser gezag tussen bevolking en politie en meer ongelijkheid. Onderzoek wijst uit dat jongeren minder criminaliteit plegen als ze sterker in de samenleving zijn geïntegreerd. Dit sluit aan bij de bindingstheorie. Ongelijkheid sluit aan bij de anomietheorie: de sociale structuur werkt normafwijkend gedrag in de hand als doelen worden gesteld zonder toereikende middelen. Let op de neutraliteit: deze verklaringen gaan over omstandigheden en bindingen, niet over eigenschappen van bevolkingsgroepen. Veelgemaakte fout: anomie en binding verwarren. Anomie gaat over doelen en middelen, binding over de band met gezin, school en vrienden.
BINDING · VEILIGHEID
Verklaringen: gelegenheid, keuze, etiket
Gelegenheidstheorie: criminaliteit stijgt bij meer potentiële daders, meer geschikte doelwitten en minder sociale bewaking.
Groeiende welvaart geeft bijvoorbeeld meer gelegenheid tot vermogenscriminaliteit.
Rationele keuzetheorie: wel of niet een misdrijf plegen is een afweging van kosten en baten, waarbij de baten hoger worden geschat.
Etiketteringtheorie (labeling): de omgeving drukt het etiket 'crimineel' op gedrag. Mensen gaan zich ernaar gedragen: een selffulfilling prophecy.
Oorzaken liggen dus ook in wetgeving, behandeling van delinquenten en reacties van de maatschappij.
Syllabus 16.7: de gelegenheidstheorie is verwant aan de rationele keuzetheorie. De etiketteringtheorie (ook labeling- of stigmatiseringtheorie) zoekt de oorzaak van crimineel gedrag niet alleen in het individu, het gezin of gevoelde achterstelling, maar ook in de wetgeving, de behandeling van delinquenten en vooral in de reacties van de maatschappij. Veelgemaakte fout: gelegenheidstheorie en rationele keuzetheorie als hetzelfde zien. De eerste kijkt naar daders, doelwitten en bewaking, de tweede naar de afweging van kosten en baten. Laat leerlingen per theorie een eigen voorbeeld bedenken.
Meer onbewaakte pakketten voor deuren, meer diefstal. Welke theorie past?
Bindingstheorie
Gelegenheidstheorie
Anomietheorie
Etiketteringtheorie
Syllabus 16.7: meer geschikte doelwitten en weinig sociale bewaking horen bij de gelegenheidstheorie. Verwachte fout: de rationele keuzetheorie of de anomietheorie, maar het gaat om doelwitten en bewaking.
Vul in
Volgens de bindingstheorie remmen sterke bindingen met gezin en school criminele impulsen. Bij de rationele keuzetheorie weegt iemand kosten en baten af.
Syllabus 16.7. Verwachte fout: gelegenheidstheorie invullen bij kosten en baten; die is verwant maar draait om doelwitten en bewaking.
BINDING · VEILIGHEID
Klassieke en moderne school
Klassieke school: daders handelen uit vrije wil en wegen kosten en baten af. Pakkans en straf moeten dus hoog zijn.
Nadruk op vergelding en generale preventie. De daad staat centraal (daadrecht), met vaste sancties voor alle daders.
Moderne school: ook persoonskenmerken en sociale omstandigheden dragen bij. De dader staat centraal (daderrecht).
Nadruk op speciale preventie, resocialisatie en bescherming van de samenleving, bijvoorbeeld TBS of HALT.
Het Nederlandse strafrecht is een compromis: een strafmaximum, maar ook aandacht voor de persoon van de dader.
Syllabus 17.1: ideeën over straffen in het huidige strafrecht zijn gebaseerd op de klassieke en de moderne school. Klassiek: vrije wil, economisch en rationeel mensbeeld, vergelding en generale preventie, daadrecht. Modern: geen vrije wil en puur economisch mensbeeld maar aandacht voor persoonskenmerken en sociale omstandigheden, speciale preventie, resocialisatie, bescherming van de samenleving, ook afname van gevoelens van objectieve en subjectieve onveiligheid; past bij TBS en HALT. In het Nederlandse strafrecht geldt een compromis: een vastgesteld strafmaximum en een stilzwijgende benedengrens, met afschrikking en vergelding als grondslag, maar ook kijken naar persoonskenmerken en sociale omstandigheden. Veelgemaakte fout: denken dat Nederland kiest voor één van beide scholen.
BINDING · VEILIGHEID
Politieke stromingen en openbare orde
De overheid moet de openbare orde handhaven en de veiligheid van burgers bevorderen. Stromingen leggen andere accenten.
Liberaal: eigen verantwoordelijkheid van burgers. Wie regels overtreedt, wordt bestraft. Nadruk op rechtshandhaving.
Sociaaldemocratisch: nadruk op maatschappelijke oorzaken zoals ongelijkheid en weinig cohesie, en op preventief beleid.
Confessioneel: gezin, school en middenveld dragen normen en waarden over. Daarnaast is een slagvaardige politie nodig.
Rechtsstaatdilemma: sociaaldemocraten en progressief-liberalen leggen meer nadruk op rechtsbescherming, confessionelen en conservatief-liberalen op rechtshandhaving.
Syllabus 17.2 (hoofdconcept verhouding): de liberale ideologie legt de nadruk op eigen verantwoordelijkheid en op de rechtshandhavende strategie; de kerntaak van de overheid is de veiligheid van alle burgers bevorderen, de openbare orde handhaven en de democratische rechtsorde verdedigen. De socialistische/sociaaldemocratische ideologie legt van oudsher meer nadruk op maatschappelijke oorzaken en op preventief beleid. De confessionele ideologie hecht belang aan gezin, school en middenveld voor het overbrengen van normen en waarden, plus een rechtshandhavende taak. Behandel de stromingen evenwichtig: elke stroming heeft een eigen accent, geen is 'beter'. Veelgemaakte fout: denken dat een stroming alleen handhaaft of alleen voorkomt. Het gaat om accenten.
Een dader weegt buit en pakkans af voor een inbraak. Welke school past?
De klassieke school
De moderne school
De anomietheorie
De bindingstheorie
Syllabus 17.1: kostenbatenafweging en vrije wil horen bij de klassieke school. Verwachte fout: de moderne school kiezen omdat de dader centraal staat. Dat geldt voor de persoon en omstandigheden, niet voor de afweging.
Welke stroming legt van oudsher meer nadruk op ongelijkheid als oorzaak van criminaliteit?
De liberale stroming
De confessionele stroming
De sociaaldemocratische stroming
Geen van de stromingen
Syllabus 17.2: de sociaaldemocratische ideologie legt van oudsher meer nadruk op maatschappelijke oorzaken zoals ongelijkheid en gebrek aan cohesie. Verwachte fout: de confessionele stroming kiezen vanwege de nadruk op preventie via gezin en school.
Bord van een WhatsApp-buurtpreventiegroep in Heerenveen, 2018
BINDING · VEILIGHEID
Drie strategieën tegen criminaliteit
Rechtshandhaving: daders opsporen, vervolgen en straffen, bijvoorbeeld met supersnelrecht. Dit is repressief beleid.
Ondersteuning en hulpverlening: risicogroepen, vaak minderjarigen, krijgen hulp, zoals vaardigheidstrainingen.
Gelegenheid beperken: criminaliteit moeilijker maken met camera's, buurtpreventie en controles.
De laatste twee strategieën zijn samen preventief beleid: ze richten zich op voorkomen.
Syllabus 17.3: drie strategieën. 1) Rechtshandhaving: opsporen, vervolgen, berechten, straffen (supersnelrecht, zero tolerance-arrestaties). 2) Ondersteuning en hulpverlening: bevorderen van cognitieve en sociale competenties en afleren van antisociaal gedrag bij risicogroepen (preventieve jeugdzorg, vaardigheidstrainingen, gedragstherapie, gezinsbetrokkenheid, sportactiviteiten voor een overlast gevende groep). 3) Gelegenheid beperken: niet de daders maar de criminaliteit zelf staat centraal, met maatregelen voor daders, slachtoffers en locaties (ingangscontroles, politiesurveillanten, cameratoezicht, buurtpreventie, identificatieplicht, preventief fouilleren). Bij strategie 1 is sprake van repressief beleid, bij 2 en 3 van preventief beleid. De foto toont een bord van een WhatsApp-buurtpreventiegroep. Veelgemaakte fout: cameratoezicht onder rechtshandhaving plaatsen. Het beperkt de gelegenheid. Image credit: Donald Trung Quoc Don / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
BINDING · VEILIGHEID
Beleid verandert mee
Tot het einde van de jaren zeventig was rechtshandhaving de belangrijkste strategie.
Midden jaren tachtig was een keerpunt: meer geregistreerde criminaliteit en onveiligheidsgevoelens leidden tot de wens van een samenhangende aanpak.
Sinds 1985: integraal veiligheidsbeleid. Ook andere instanties, organisaties, bedrijven en burgers hebben een rol. Meer inzet op de andere twee strategieën.
Sinds het begin van deze eeuw weer sterk gericht op rechtshandhaving. De laatste jaren komen de andere strategieën weer iets meer in beeld.
De rol van het slachtoffer in het strafproces is versterkt, bijvoorbeeld met spreekrecht en een slachtofferverklaring.
Syllabus 17.3: het midden van de jaren tachtig is een keerpunt. De sterke toename van door de politie geregistreerde criminaliteit en de gesignaleerde onveiligheidsbeleving leidden tot de wens van een meer samenhangende aanpak; sinds 1985 is er integraal veiligheidsbeleid. De rol van het slachtoffer is in de wet versterkt (spreekrecht, schriftelijke slachtofferverklaring, recht op informatie), en Slachtofferhulp Nederland biedt hulp. Noem geen cijfers over criminaliteit zonder CBS- of WODC-bron. Veelgemaakte fout: denken dat het beleid steeds in dezelfde richting beweegt. Het schuift heen en weer tussen handhaving en preventie.
Een gemeente plaatst camera's en verlicht een fietsenstalling. Welke strategie is dit?
Rechtshandhaving
Het beperken van de gelegenheid tot criminaliteit
Ondersteuning en hulpverlening
Resocialisatie van daders
Syllabus 17.3: camera's en betere verlichting maken een delict moeilijker, dus gelegenheid beperken. Verwachte fout: rechtshandhaving, omdat camera's daders kunnen vastleggen. Toch staat het voorkomen centraal.
Zet op volgorde, van vroeg naar laat
Syllabus 17.3. Verwachte fout: 1985 en het begin van deze eeuw omwisselen. Na 1985 kwam eerst meer preventie, daarna weer meer handhaving.
Wat vond je vandaag het lastigst?
Objectieve en subjectieve onveiligheid
De verklaringen voor criminaliteit
Klassieke en moderne school
De drie strategieën van beleid
Gebruik de uitslag om les 2 te starten: begin bij het onderdeel dat de meeste stemmen krijgt.
Noem een maatregel en de strategie.
Goed antwoord: een maatregel met de juiste strategie, bijvoorbeeld supersnelrecht (rechtshandhaving), een vaardigheidstraining voor jongeren (ondersteuning en hulpverlening) of cameratoezicht (gelegenheid beperken). Verwachte fout: een maatregel noemen zonder strategie, of de strategie verkeerd koppelen.
BINDING · VEILIGHEID
Begrippen (1/2)
objectieve onveiligheid: de aard en omvang van criminaliteit, ongevallen en rampen
subjectieve onveiligheid: hoe mensen criminaliteit, ongevallen en rampen beleven: gevoelens van onveiligheid
beeldvorming: het beeld dat mensen van risico's krijgen door informatie, media en de politieke agenda
veiligheidsutopie: de wens van optimale vrijheid én krachtdadig overheidsoptreden voor veiligheid
criminaliteit: gedrag dat schade toebrengt en door de wet strafbaar is gesteld
Deze slide heeft geen instructies
BINDING · VEILIGHEID
Begrippen (2/2)
bindingstheorie: maatschappelijke bindingen remmen criminele impulsen
klassieke school: vrije wil en kostenbatenafweging; nadruk op de daad, vergelding en generale preventie
moderne school: persoon en sociale omstandigheden tellen mee; nadruk op resocialisatie en speciale preventie
preventie: voorkomen van criminaliteit door hulp aan risicogroepen of door de gelegenheid te beperken
repressie: rechtshandhaving: daders opsporen, vervolgen en straffen
Deze slide heeft geen instructies