Veiligheid en criminaliteit (Maatschappijwetenschappen havo), les 2: Examentraining

BINDING · VEILIGHEID

Examentraining

Veiligheid en criminaliteit: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met vier vraagtypen: soorten onveiligheid, een verklaring van criminaliteit herkennen, beleid herkennen en strafrecht toepassen. Elk vraagtype heeft een uitlegdia en twee vragen in examenstijl.

Onderdelen in deze les

BINDING · VEILIGHEID

Examentraining

Veiligheid en criminaliteit: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Syced / Wikimedia Commons, CC0

BINDING · VEILIGHEID

Wat ga je kunnen?

Ik kan onveiligheid onderscheiden, verklaringen van criminaliteit herkennen en uitgangspunten van beleid benoemen.

Deze slide heeft geen instructies

BINDING · VEILIGHEID

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: de casus of bron en de vraag. Let op het woord 'welke' of 'verklaar'.

  • 2. Zoek: het kernconcept, de theorie of de strategie die bij het gegeven past.

  • 3. Schrijf: de naam van het begrip letterlijk op en koppel die aan een gegeven uit de casus.

  • 4. Controleer: past je antwoord ook bij de andere opties niet?

Deze slide heeft geen instructies

BINDING · VEILIGHEID

Vraagtype 1: soorten onveiligheid

  • Je moet bepalen of iets objectieve of subjectieve onveiligheid is.

  • Objectief: meetbaar, aard en omvang. Subjectief: gevoel en beleving.

  • Beeldvorming in de media werkt vooral door op het gevoel.

Deze slide heeft geen instructies

Een rapport meldt: diefstallen in stad X daalden van 900 naar 700. Welke onveiligheid?

A

Subjectieve onveiligheid

B

Beeldvorming

C

Veiligheidsutopie

D

Objectieve onveiligheid

Syllabus 16.3: een aantal delicten is aard en omvang, dus objectief. Verwachte fout: subjectief kiezen omdat het over een rapport gaat. Het voorbeeld is verzonnen.

Hoe beïnvloedt nieuws het onveiligheidsgevoel?

Syllabus 16.4. Casus: na veel nieuwsberichten over een misdrijf voelen bewoners zich onveiliger. Goed antwoord: berichtgeving beïnvloedt de beeldvorming (en door selectiviteit het referentiekader), waardoor de subjectieve onveiligheid toeneemt, terwijl de objectieve onveiligheid niet hoeft te veranderen. Verwachte fout: zeggen dat er dus meer misdrijven zijn.

BINDING · VEILIGHEID

Vraagtype 2: een verklaring herkennen

  • Je krijgt een casus en moet de theorie noemen die erbij past.

  • Binding: band met gezin, school, vrienden. Anomie: doelen zonder middelen. Gelegenheid: doelwit en bewaking. Etikettering: het stempel.

  • Noem de theorie en het gegeven uit de casus.

Deze slide heeft geen instructies

Door sportclub en mentor pleegt Jamal minder strafbare feiten. Welke theorie past?

A

Gelegenheidstheorie

B

Bindingstheorie

C

Anomietheorie

D

Rationele keuzetheorie

Syllabus 16.7: sterke bindingen met groepen als vriendengroep en school werken remmend. Verwachte fout: de rationele keuzetheorie, omdat Jamal ook zou kunnen afwegen. De casus noemt bindingen.

Hoe verklaart de anomietheorie crimineel gedrag?

Casus: achterstand en crimineel gedrag (let op de omstandigheden, niet de groep). Syllabus 16.7. Goed antwoord: de samenleving definieert doelen (zoals welvaart) zonder dat iedereen toereikende middelen of kansen heeft; wie te weinig middelen heeft of stress ervaart door weinig kansen, kiest vaker afwijkend of crimineel gedrag. Verwachte fout: alleen zeggen dat arme mensen vaker stelen. De uitleg moet de doelen-middelen-koppeling bevatten en gaat over omstandigheden.

BINDING · VEILIGHEID

Vraagtype 3: beleid herkennen

  • Je krijgt een maatregel en bepaalt de strategie en het soort beleid.

  • Rechtshandhaving is repressief. Hulpverlening en gelegenheid beperken zijn preventief.

  • Let op wie centraal staat: de dader of de criminaliteit zelf.

Deze slide heeft geen instructies

Een gemeente start sportactiviteiten voor een overlast gevende jeugdgroep. Welke strategie?

A

Ondersteuning en hulpverlening

B

Rechtshandhaving

C

Het beperken van de gelegenheid

D

Rechtsbescherming van burgers

Syllabus 17.3: groepsgerichte maatregelen zoals sportactiviteiten om contact op te bouwen horen bij ondersteuning en hulpverlening. Verwachte fout: gelegenheid beperken, omdat de groep minder tijd heeft voor overlast.

Supersnelrecht: welke strategie en soort beleid?

Syllabus 17.3. Goed antwoord: rechtshandhaving, en dat is repressief beleid, omdat het gaat om opsporen, vervolgen en straffen van daders. Verwachte fout: preventief beleid noemen omdat snel straffen afschrikt.

Voormalige rechtszaal in de Oude Rechtbank, Groningen, 2023

BINDING · VEILIGHEID

Vraagtype 4: strafrecht en uitgangspunten

  • Je krijgt een standpunt over straffen en bepaalt de school of stroming.

  • Klassiek: daad, afschrikking, vergelding. Modern: dader, resocialisatie, speciale preventie.

  • Onderbouw met een woord uit de casus.

Image credit: Hardscarf / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Rechter Lotte weegt bij de strafmaat de jeugd en thuissituatie van de dader mee. Welke school?

A

De klassieke school

B

De etiketteringtheorie

C

De moderne school

D

De gelegenheidstheorie

Syllabus 17.1: aandacht voor persoonskenmerken en sociale omstandigheden past bij de moderne school; de strafmaat in Nederland houdt hier ook rekening mee. Verwachte fout: de klassieke school, omdat een rechter straft.

Waarom past hoge straf bij de klassieke school?

Syllabus 17.1. Goed antwoord: de klassieke school gaat uit van vrije wil en kostenbatenafweging; hoge straffen en pakkans zorgen dat de kosten hoger zijn dan de opbrengst, zodat mensen afzien van een misdrijf (generale preventie). Verwachte fout: alleen 'vergelding' noemen zonder de afweging.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Soorten onveiligheid

2

Een verklaring herkennen

3

Beleid herkennen

4

Strafrecht en uitgangspunten

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen eerst en laat een leerling de vier stappen voordoen.

BINDING · VEILIGHEID

Tips voor op het examen

  • Schrijf nooit alleen de definitie op: koppel het begrip altijd aan een gegeven uit de casus.

  • Gebruik de naam van de theorie of strategie letterlijk en leg uit waarom die past.

  • Lees de vraag twee keer: moet je een begrip noemen, toepassen of verklaren?

  • Zoek bij een casus eerst wie of wat centraal staat: de dader, de gelegenheid of het gevoel.

Deze slide heeft geen instructies