Lichamelijke ontwikkeling 2
Les 3
Lichamelijke ontwikkeling 2
Les 3
Deze slide heeft geen instructies
Programma
Boek: Mensen, Thema 3 Lichamelijke ontwikkeling
Blz 81
Het ademhalingsstelsel
Het spijsverteringsstelsel
Het zenuwstelsel
Het hormonaal stelsel
Deze slide heeft geen instructies
Maar eerst herhaling… lichamelijke ontwikkeling deel 1
Match de kaartjes bij elkaar, werk in groepjes
Deze slide heeft geen instructies
1. Het ademhalingsstelsel
2 longen, hoog in de borstkas, achter de schouderbladen.
Volgende sheet: meerkeuze vraag: In beide longen past 5 tot 6 liter lucht (longcapaciteit)
Hoeveel lucht (longcapaciteit) past er in beide longen?
1-2 liter
5-6 liter
3-4 liter
7-8 liter
Deze slide heeft geen instructies
Het ademhalingsstelsel
Longen
Bronchiën: de luchtpijp vertakt in 2 kleinere kanalen.
Bronchiolen: een netwerk van kleine zijtakjes
Longblaasjes: de kleine takjes eindigen in een enorme hoeveelheid longblaasjes. Hier vindt de uitwisseling van gassen plaats.
We ademen in via de neus, de lucht gaat door de luchtpijp naar de longen.
Het ademhalingsstelsel
In iedere cel in je lichaam vindt een verbrandingsproces plaats waarbij koolstofoxide vrij komt. Overtollige koolstofoxide wordt opgenomen in het bloed komen via de aders in de longblaasjes terecht. Daar vindt een uitwisselingsproces plaats en de koolstofdioxide wordt uitgeademd, zuurstof wordt opgenomen in het bloed.
2. Het spijsverteringsstelsel
Mond, slokdarm, maag, twaalfvingerige darm, lever, dunne darm, dikke darm, endeldarm
Het spijsverteringsstelsel
In voeding zitten voedingsstoffen zoals: vitaminen, mineralen, zouten, suiker, vetten, eiwitten en koolhydraten.
Het spijsverteringsstelsel zorgt ervoor dat de voedingsstoffen uit de voeding worden gehaald.
Deze slide heeft geen instructies
Het spijsverteringsstelsel
De mond
Begin van het spijsverteringsstelsel
Kauwen maakt het voedsel kleiner.
Speekselklieren produceren speeksel om het voedsel zachter te maken.
Achter in de mondholte zit een klepje, de huig. Dit klepje voorkomt dat voedsel in de neusholte komt. Iets verderop passeert het voedsel de luchtpijp. Die wordt automatisch afgesloten als er voedsel voorbij komt. Anders zou er voedsel in de longen komen.
Wat is de functie van de mond in het spijsverteringsstelsel?
Deze slide heeft geen instructies
Het spijsverteringsstelsel
De maag
De maagwand is elastisch
Door inkrimpen en uitzetten (peristaltiek) maakt de maag het voedsel nog fijner.
De maagwand scheidt maagsap af. De zuren die hierin zitten zorgen dat de voedingsstoffen beter worden opgenomen in de darmen.
Via de slokdarm komt het voedsel in de maag. Dit is een hol orgaan, aan de linkerkant net onder de borstkas. De wand is elastisch, waardoor de maag kan uitzetten als er meer voedsel in zit. Door inkrimpen en uitzetten (peristaltiek) maakt de maag het voedsel nog fijner. De maagwand scheidt maagsap af. Daarin zitten zuren die het voedsel bewerken, waardoor de voedingsstoffen later makkelijker opgenomen kunnen worden. Maagsap is slijmerig. Zo glijdt het voedsel beter door de darmen.
ZUURGRAAD maagsap
Het spijsverteringsstelsel
De darmen
Dunne darm: 6 meter lang. In de dunne darm vindt de uitwisseling van stoffen plaats met de lever en de alvleesklier. In de dunne darm worden alle voedingsstoffen uit de voeding gehaald.
Dikke darm: komt na de dunne darm. 1,5 meter lang. Het onverteerbare deel van het voedsel wordt in de dikke darm verder afgebroken door ontelbare bacteriën.
Endeldarm: het laatste stuk darm waarna de ontlasting het lichaam verlaat.
Een darm is een flexibele buis. Door de peristaltiek glijdt het voedsel door de darmen. De darmwand heeft veel verbindingen met bloed- en lymfevaten, om voedingsstoffen te kunnen uitwisselen. Bloed en lymfevocht verzorgen het verdere transport naar organen en andere lichaamsdelen.
De dunne darm is ongeveer zes meter lang. Dat heeft een reden: er is een grote oppervlakte nodig om alle bloed- en lymfevaten contact te laten maken met de darmwand. Het eerste deel van de dunne darm, direct onder de maag, heet de twaalfvingerige darm (duodenum). Hier vindt uitwisseling van stoffen plaats met de lever en de alvleesklier. De twaalfvingerige darm regelt ook de hoeveelheid voedsel die van de maag in het darmstelsel komt. (naam door de lengte, 12 vingers achter elkaar)
Aan het eind van de dunne darm is het verteringsproces voltooid: alle voedingstoffen zijn uit de voeding gehaald. Op dit punt gaat de dunne darm over in de dikke darm.
De dikke darm is ongeveer anderhalve meter lang. Het laatste deel heet endeldarm. Het onverteerbare deel van het voedsel wordt in de dikke darm verder afgebroken. Dit is een rottingsproces dat wordt veroorzaakt door ontelbare bacteriën die zich in de dikke darm bevinden. Door toevoeging van vocht en slijm ontstaat ontlasting. Die verlaat vervolgens het lichaam via de endeldarm.
Wat is de functie van de lever?
Deze slide heeft geen instructies
Het spijsverteringsstelsel
De lever
Hier vinden veel chemische processen plaats. Eiwitten, vetten en koolhydraten uit voeding worden omgezet in stoffen die voor het lichaam bruikbaar zijn. De lever zorgt ook voor ontgifting. De lever zorgt dat schadelijke stoffen (zoals alcohol en medicijnen) zo veel mogelijk worden afgebroken
De lever zit, aan het begin van de spijsvertering, aan de rechterkant direct onder de borstkas. De lever is een bloedrijk orgaan. Er wordt veel bloed aangevoerd en afgevoerd. Ook zijn er veel lymfevaten. Je kunt de lever vergelijken met een chemische fabriek waar veel chemische processen plaatsvinden. Zo worden er eiwitten, vetten en koolhydraten uit de voeding omgezet in stoffen die voor het lichaam bruikbaar zijn. Een andere belangrijke taak van de lever is ontgiften. Door bepaald medicijngebruik of overmatig alcoholgebruik bijvoorbeeld komen giftige stoffen in het lichaam. De lever zorgt ervoor dat deze schadelijke stoffen zo veel mogelijk worden afgebroken.
Ten slotte nog een opmerking over de alvleesklier. Deze speelt ook een belangrijke rol bij de spijsvertering. De alvleesklier is echter een hormoonklier, daarom kun je er meer over lezen bij het onderdeel hormonaal stelsel.
3. Het zenuwstelsel
Deze slide heeft geen instructies
Het zenuwstelsel
Is het besturingssysteem van het lichaam.
3 soorten indelingen:
Sensorische- motorische zenuwen
Centraal- perifeer zenuwstelsel
Onwillekeurig- willekeurig zenuwstelsel
In de zenuwen komen prikkels bij de hersenen binnen. In de hersenen wordt bepaald welke actie erop volgt. Het gaat om prikkels die van buiten het lichaam komen, uit de omgeving, maar ook om prikkels van het lichaam zelf en van de organen. Het spijsverteringsstelsel, de ademhaling, de bloedsomloop en alle andere stelsels functioneren niet zonder aansturing vanuit de hersenen via de zenuwen. Een eerste onderscheid is er tussen:
sensorische zenuwen
Sensorische zenuwen geleiden een prikkel naar de hersenen. Die bepalen vervolgens wat er gebeurt. Via een motorische prikkel (van de hersenen af) volgt dan de gewenste actie
motorische zenuwen.
.
Het zenuwstelsel
Sensorische zenuwen: geleiden prikkels naar de hersenen (vanuit de 5 zintuigen: oog, oor, mond, neus, huid).
Motorische zenuwen: hieruit volgt de gewenste reactie vanuit de hersenen.
Een andere indeling is gebaseerd op de plaats in het lichaam waar de zenuwen zitten:
centraal zenuwstelsel
perifeer zenuwstelsel.
Het centraal zenuwstelsel bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. In de hersenen komen veel zenuwen samen. Deze komen in dikke bundels bij elkaar, waardoor een kabel van zenuwen ontstaat. Ook van de hersenen af lopen kabels. Een hele dikke kabel loopt naar beneden, van de hersenen door het ruggenmerg. Om te voorkomen dat zenuwen uitdrogen en breken zit er vocht omheen, in de hersenen en in het ruggenmerg: het liquor. Dit transporteert ook voedingsstoffen en voert afvalstoffen af. Naast het centraal zenuwstelsel is er het perifeer zenuwstelsel: een stelsel van veel zenuwen met grote en kleine vertakkingen, verspreid over de rest van het lichaam.
DE VIJF ZINTUIGEN:
-OOG
OOR
MOND
NEUS
HUID
Het zenuwstelsel
Centraal en perifeer zenuwstelsel
Centraal zenuwstelsel: de hersenen en het ruggenmerg.
Perifeer zenuwstelsel: stelsel van zenuwen met grote en kleine vertakkingen, verspreid over de rest van het lichaam.
Deze slide heeft geen instructies
Het zenuwstelsel
Willekeurig zenuwstelsel: je hebt een keuze om een actie te ondernemen.
Onwillekeurig zenuwstelsel (autonoom zenuwstelsel): heb je zelf niets over te zeggen b. spijsvertering, vloedsomloop, reflexen.
Een derde onderverdeling zegt iets over de mate waarin je zenuwen en prikkels kunt beïnvloeden:
onwillekeurig zenuwstelsel
willekeurig zenuwstelsel.
Over het functioneren van het onwillekeurig zenuwstelsel (autonoom zenuwstelsel) heeft iemand zelf niets te vertellen. Denk aan spijsvertering en bloedsomloop. Ook reflexen – zoals de hik of hoesten als je je verslikt – komen voort uit het onwillekeurig zenuwstelsel.
Bij het willekeurig zenuwstelsel is er de keuze om een actie te ondernemen. Als iemand jou uitscheldt (prikkel die via het oor en sensorische zenuwen naar de hersenen gaat), heb je zelf de keuze of en hoe je reageert. Via de motorische zenuwen geven de hersenen de door jou gekozen actie door en reageer je zoals je wilt.
4. Hormoonstelsel
Deze slide heeft geen instructies
Hormoonstelsel
Is ook een besturingssysteem. Hormonen zetten processen in werking.
Hormonen worden via hormoonklieren aangemaakt en via het
bloed getransporteerd.
Hormoonproducerende klieren:
Hypofyse
Alvleesklier
Schildklier
Geslachtsklieren
Bijnieren
Deze slide heeft geen instructies
Sleepvraag
groeihormonen en stimuleert de andere klieren om hormonen aan te maken
Thyroxine: Beïnvloed de stofwisseling
Insuline en glucagon (regelen het bloedsuikergehalte)
Adrenaline (stresshormoon): zet zintuigen scherp en en verhoogd concentratievermogen
Testosteron, oestrogeen en progestoron
Bijnieren
Alvleesklier
Schildklier
Hypofyse
geslachtsorganen
Deze slide heeft geen instructies
Hormoonstelsel
Hypofyse: groeihormonen en stimuleert andere klieren om hormonen aan te maken.
Alvleesklier: insuline en glucagon (regelen bloedsuikergehalte).
Schildklier: thyroxine (beïnvloedt de stofwisseling)
Geslachtsklieren: zaadballen> testosteron. Eierstokken> oestrogeen en progesteron.
Bijnieren: adrenaline> stresshormoon (zet zintuigen op scherp en verhoogd concentratievermogen)
Oestrogeen: ontwikkeling vrouwelijke geslachtsorganen, reguleren menstruele cyclus
Progestoron: dikker maken slijmvlies
Opdracht: het spijsverteringsstelsel
Teken op A3 de contouren van het menselijk lichaam. Teken de onderstaande onderdelen op de juiste plek en beschrijf de functie:
Mond
Maag
Darmen: twaalfvingerige darm, dunne darm, dikke darm
Lever
Deze slide heeft geen instructies