Vrouwelijke geslachtskenmerken: een introductie tot de anatomie

Vrouwelijke geslachtskenmerken: een introductie tot de anatomie
foto
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Vrouwelijke geslachtskenmerken: een introductie tot de anatomie
foto

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Aan het einde van deze les kun je: de belangrijkste vrouwelijke geslachtsorganen identificeren, de functies van deze organen beschrijven en een basisbegrip hebben van de menstruatiecyclus

Slide 2 - Tekstslide

Geef een overzicht van wat de studenten zullen leren in deze les.
Wat weet je al over de vrouwelijke geslachtskenmerken?

Slide 3 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Anatomie van het vrouwelijk voortplantingsstelsel
Het vrouwelijk voortplantingsstelsel omvat de eierstokken, eileiders, baarmoeder, baarmoederhals en vagina.

Slide 4 - Tekstslide

Toon een afbeelding van het vrouwelijk voortplantingsstelsel en leg uit welke organen erbij horen.
Wat is de functie van de baarmoederhals?
A
Het opvangen van zaadcellen
B
Het verbinden van de baarmoeder met de vagina en afscheiden van slijm
C
Het produceren van eicellen
D
Het vrijgeven van hormonen

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de functie van de eierstokken?
A
Transporteren van de eicellen naar de baarmoeder
B
Produceren van zaadcellen
C
Produceren en vrijgeven van eicellen en hormonen
D
Opvangen van de zaadcellen

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waaruit bestaat het vrouwelijk voortplantingsstelsel?
A
Hersenen, ruggenmerg en zenuwen
B
Eierstokken, eileiders, baarmoeder, baarmoederhals en vagina
C
Lever, longen, milt en galblaas
D
Nieren, hart, maag en darmen

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Eierstokken
De eierstokken zijn verantwoordelijk voor de productie van eitjes en de productie van hormonen zoals oestrogeen en progesteron.

Slide 8 - Tekstslide

Leg uit waar de eierstokken zich bevinden en wat hun functies zijn.
Welke hormonen worden door de eierstokken geproduceerd?
A
Adrenaline en noradrenaline
B
Oestrogeen en progesteron
C
Melatonine en serotonine
D
Testosteron en cortisol

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de functie van de eierstokken?
A
Productie van zaadcellen en hormonen
B
Productie van eitjes en hormonen
C
Productie van eitjes en enzymen
D
Productie van hormonen en antistoffen

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Eileiders
De eileiders zijn de buisjes die de eitjes van de eierstokken naar de baarmoeder transporteren. Bevruchting vindt meestal plaats in de eileiders.

Slide 11 - Tekstslide

Toon een afbeelding van de eileiders en leg uit waar ze zich bevinden en wat hun functies zijn.
Baarmoeder
De baarmoeder is een spierorgaan waarin de foetus zich ontwikkelt tijdens de zwangerschap. De wand van de baarmoeder wordt elke maand dikker in voorbereiding op een mogelijke zwangerschap.

Slide 12 - Tekstslide

Toon een afbeelding van de baarmoeder en leg uit waar het zich bevindt en wat zijn functies zijn.
Baarmoederhals
De baarmoederhals is het onderste deel van de baarmoeder en heeft een kleine opening die zich opent tijdens de bevalling. Tijdens de menstruatiecyclus produceert de baarmoederhals slijm om sperma te helpen bij het bereiken van de eicel.

Slide 13 - Tekstslide

Toon een afbeelding van de baarmoederhals en leg uit waar het zich bevindt en wat zijn functies zijn.
Vagina
De vagina is een elastische buis die zich uitstrekt van de baarmoederhals tot aan de buitenkant van het lichaam. Het is een belangrijk onderdeel van zowel het voortplantings- als het urinestelsel.

Slide 14 - Tekstslide

Toon een afbeelding van de vagina en leg uit waar het zich bevindt en wat zijn functies zijn.
Wat is de functie van de vagina?
A
Het is waar de foetus zich ontwikkelt tijdens de zwangerschap
B
Het is een elastische buis die zich uitstrekt van de baarmoederhals tot aan de buitenkant van het lichaam.
C
Het is waar urine wordt opgeslagen
D
Het is waar de eicel wordt bevrucht

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de functie van de baarmoeder?
A
Het is waar de foetus zich ontwikkelt tijdens de zwangerschap
B
Het is waar de baby wordt geboren
C
Het is waar urine wordt opgeslagen
D
Het is waar de eicel wordt bevrucht

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Menstruatiecyclus
De menstruatiecyclus is een proces waarbij de baarmoeder zich voorbereidt op zwangerschap. Het omvat de ovulatie, waarbij een eicel vrijkomt uit de eierstokken, en de menstruatie, waarbij de baarmoeder de onbevruchte eicel en het baarmoederslijmvlies afstoot.

Slide 17 - Tekstslide

Leg uit wat de menstruatiecyclus is en hoe het werkt. Toon een diagram van de menstruatiecyclus als visuele ondersteuning.
Wat is de menstruatiecyclus?
A
Proces waarbij de baarmoeder zich voorbereidt op menstruatie
B
Proces waarbij de baarmoeder zich voorbereidt op bevalling
C
Proces waarbij de baarmoeder zich voorbereidt op ovulatie
D
Proces waarbij de baarmoeder zich voorbereidt op zwangerschap

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de functie van de eierstokken?
A
Productie van eitjes en zaadcellen
B
Productie van eitjes en hormonen
C
Productie van zaadcellen en hormonen
D
Productie van hormonen en sperma

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Samenvatting
Het vrouwelijk voortplantingsstelsel omvat de eierstokken, eileiders, baarmoeder, baarmoederhals en vagina. De belangrijkste functies van deze organen zijn de productie van eitjes, hormonen en de ontwikkeling van de foetus tijdens de zwangerschap. De menstruatiecyclus is een belangrijk proces waarbij de baarmoeder zich voorbereidt op zwangerschap.

Slide 20 - Tekstslide

Vat de belangrijkste punten van de les samen en beantwoord eventuele vragen die studenten hebben.
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Slide 21 - Open vraag

De leerlingen voeren hier drie dingen in die ze in deze les hebben geleerd. Hiermee geven ze aan wat hun eigen leerrendement van deze les is.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Slide 22 - Open vraag

De leerlingen voeren hier twee dingen in waarover ze meer zouden willen weten. Hiermee vergroot je niet alleen betrokkenheid, maar geef je hen ook meer eigenaarschap.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.

Slide 23 - Open vraag

De leerlingen geven hier (in vraagvorm) aan met welk onderdeel van de stof ze nog moeite. Voor de docent biedt dit niet alleen inzicht in de mate waarin de stof de leerlingen begrijpen/beheersen, maar ook een goed startpunt voor een volgende les.