HV1 H5 Meewerkend voorwerp en H6 Bijwoordelijke bepaling

Zinsdelen:
H5 Het meewerkend voorwerp
H6 Bijwoordelijke bepaling
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Zinsdelen:
H5 Het meewerkend voorwerp
H6 Bijwoordelijke bepaling

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoelen
* Ik weet hoe ik de zin in zinsdelen moet verdelen.

* Ik weet hoe ik het meewerkend voorwerp kan vinden.  

* Ik weet hoe ik de bijwoordelijke bepaling kan vinden.



Slide 2 - Tekstslide

Maar eerst...
* ... herhalen van het verdelen in zinsdelen.

* ... herhalen van de zinsdelen persoonsvorm, werkwoordelijk gezegde, onderwerp en lijdend voorwerp



Slide 3 - Tekstslide

Zet zinsdeelstreepjes:
Gisteren hebben we een lief, klein katertje bij het dierenasiel opgehaald. 

Klaar? Benoem pv, wg, ow en lv
Let op: lv staat niet altijd in de zin

Slide 4 - Tekstslide

Zet zinsdeelstreepjes:
Vorige week heeft de docent klas HV1 het lijdend voorwerp uitgelegd. 

Klaar? Benoem pv, wg, ow en lv
Let op: het lv staat niet altijd in de zin.

Slide 5 - Tekstslide

Zet zinsdeelstreepjes:
Vandaag krijgen jullie uitleg over het meewerkend voorwerp. 

Klaar? Benoem pv, wg, ow en lv
Let op: het lv staat niet altijd in de zin.

Slide 6 - Tekstslide

Zet zinsdeelstreepjes:
Welke kinderen kijken vandaag uit naar het weekend?

Klaar? Benoem pv, wg, ow en lv
Let op: het lv staat niet altijd in de zin.

Slide 7 - Tekstslide

Meewerkend voorwerp
Een meewerkend voorwerp komt voor in zinnen waarin iemand iets 'vertelt' (uitleggen, zeggen, enzovoort) of 'geeft' (lenen, sturen, overhandigen, enzovoort).


Tip!
Bij het meewerkend voorwerp moet je de woorden 'aan' of 'voor' toe kunnen voegen of weg kunnen laten.

Slide 8 - Tekstslide

Meewerkend voorwerp
MV = geeft aan voor wie iets (het lv) bestemd is.
  • Kan alléén in een zin met een lijdend voorwerp staan.
  • Stappenplan: zoek eerst PV, OW, WG en LV.
  • Vraag voor het MV: aan OF voor wie/ wat + WG + OW + LV 
  • Check: Je kunt er aan of voor voor plaatsen OF aan of voor weglaten uit het zinsdeel.
  • Ik vertel jou altijd mijn geheimen.
  • Ik /vertel/ jou/ altijd/ mijn geheimen.
  • MV = aan / voor wie vertel ik altijd mijn geheimen? --> (aan) jou

Slide 9 - Tekstslide

Zoek de zinsdelen als volgt:
PV: onderstreep de pv, zet er een streepje voor èn achter.
Zet zinsdeelstreepjes volgens het stappenplan: 
WG: alle werkwoorden + de PV (+ 'aan het'/ 'te' / zich/ splitsbaar ww)
OW: wie/ wat + WG = onderwerp
LV: wie/ wat + OW + WG = lijdend voorwerp
MV: aan/ voor wie/ wat + WG + OW + LV 



Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Werk samen:
* In groepjes van 2/ 3 leerlingen.
* Open op ITS bij het overzicht 'Les meewerkend voorwerp'.
* Werk met elkaar in dat bestand.

Klaar?
Maak de planning HUISWERK MV van de methode. Straks bespreken we een aantal van de opdrachten.
timer
10:00

Slide 12 - Tekstslide


1. De docent gaf een goede uitleg.
PV = gaf
WG = gaf
OW = de docent
LV = een goede uitleg

Mv erbij: De docent gaf de leerlingen een goede uitleg .


2. De jongen vertelde zijn geheim.
PV = vertelde
WG = vertelde
OW = de jongen
LV = zijn geheim

Mv erbij: De jongen vertelde (aan) haar zijn geheim.





3. De leiding van het toernooi heeft de medaille gegeven.
PV = heeft
WG = heeft gegeven
OW = de leiding van het toernooi
LV = de medaille

Mv erbij: De leiding van het toernooi heeft (aan) de winnaar de medaille gegeven.

4. De verpleegster gaf dagelijks de aspirine tegen de pijn.
PV = gaf
WG = gaf
OW = de verpleegster
LV = de aspinine

De verpleegster gaf (aan) haar patiënt dagelijks de aspirine tegen de pijn.


Slide 13 - Tekstslide

Zet zinsdeelstreepjes:
Zonder twijfel heeft Jolanda
haar oude kleding aan de armen gegeven.
Benoem pv, wg, ow, lv en mv
Let op: lv en mv staan niet altijd in de zin

Slide 14 - Tekstslide

Antwoord:
Zonder twijfel | heeft | Jolanda
haar oude kleding | aan de armen |   gegeven. 
     
ow = Jolanda                      wg = heeft gegeven
lv = haar oude kleding     mv = aan de armen

Slide 15 - Tekstslide

Zet zinsdeelstreepjes:
Welke boeken uit de bieb zijn door de meeste leerlingen dit schooljaar gelezen?
Benoem pv, wg, ow, lv en mv
Let op: lv en mv staan niet altijd in de zin

Slide 16 - Tekstslide

Antwoord:
Welke boeken uit de bieb | zijn | door de meeste leerlingen |  
dit schooljaar | gelezen? 
     
ow = welke boeken uit de bieb    wg = zijn gelezen 
lv = x     mv = x

Slide 17 - Tekstslide

Bijwoordelijke bepaling (BWB)
Een bijwoordelijke bepaling (bwb) geeft antwoord op vragen als: 
Hoe? Hoelang? Hoever? Waar? Waardoor? Waarheen? Waarom? Waarover? Waarvandaan? Waar? Wanneer?  etc.

Vaak zijn de zinsdelen die overblijven nadat je pv t/m mv benoemd hebt bwb.

Let op: niet alle bijwoordelijke bepalingen geven antwoord op een vraag. Ook woorden zoals niet, wel, zeker, absoluut, eigenlijk, allicht, natuurlijk, misschien, vermoedelijk en waarschijnlijk zijn bijwoordelijke bepaling.

Slide 18 - Tekstslide

Bijwoordelijke bepaling:
Welke boeken uit de bieb | zijn | door de meeste leerlingen |  
dit schooljaar | gelezen? 
     
ow = welke boeken uit de bieb    wg = zijn gelezen 
lv = x     mv = x
bwb= door de meeste leerlingen, dit schooljaar

Slide 19 - Tekstslide

Bedenk zelf een bwb bij:
1. De docent gaf een goede uitleg aan de leerlingen.
2. De jongen vertelde haar zijn geheim.
3. De leiding van het toernooi heeft de winnaar de medaille gegeven.
4. De verpleegster gaf dagelijks de aspirine tegen de pijn.

Slide 20 - Tekstslide


Slide 21 - Open vraag

Aan de slag!
>> Maak de planning HUISWERK
>> Stel eventueel je vragen
>> Werk rustig en fluister wanneer nodig.



Klaar?
Lees de opdracht fictie 2 door.
Start met het maken van de opdracht.

Slide 22 - Tekstslide

zinnen ontleden 
Werk zoveel mogelijk zelfstandig.
Neem de zin over.
Zoek eerst de PV.
Zet daarna zinsdeelstreepjes.
Noteer de zinsdelen onder elkaar.
Benoem PV t/m BWB.
Noteer per zin + lever straks in:
pv = 
wg = 
ow =
lv = 
mv =
bwb = 
bwb = 

Slide 23 - Tekstslide

1. De SWOV onderzoekt elk jaar de verkeersrisico's in ons land.
Noteer per zin + lever straks in:
pv = 
wg = 
ow =
lv = 
mv =
bwb = 
bwb = 
Noteer per zin + lever straks in:
pv = 
wg = 
ow =
lv = 
mv =
bwb = 
bwb = 
Noteer per zin + lever straks in:
pv = 
wg = 
ow =
lv = 
mv =
bwb = 
bwb = 
NOTEER:
PV =
WG =
OW =
LV =
MV =
BWB =

Slide 24 - Open vraag

1. De SWOV /onderzoekt/ elk jaar/ de verkeersrisico's/ in ons land.
  • PV = onderzoekt
  • WG = onderzoekt
  • OW =De SWOV
  • LV = de verkeersrisico's
  • MV = x
  • BWB = elk jaar, in ons land


Slide 25 - Tekstslide

2. In Nederland blijken vanaf 1980 minder verkeersslachtoffers te vallen.
NOTEER:
PV =
WG =
OW =
LV =
MV =
BWB =

Slide 26 - Open vraag

2. In Nederland/ blijken /vanaf 1980/ minder verkeersslachtoffers /te vallen.
  • PV = blijken
  • WG = blijken te vallen
  • OW =  minder verkeersslachtoffers
  • LV = x
  • MV = x
  • BWB = In Nederland, vanaf 1980

Slide 27 - Tekstslide

3. Politieagenten geven lichte verwondingen soms door aan het meldpunt.
NOTEER:
PV =
WG =
OW =
LV =
MV =
BWB =

Slide 28 - Open vraag

3. Politieagenten/ geven/ lichte verwondingen /soms/ door/ aan het meldpunt. 
  • PV = geven
  • WG = geven door
  • OW = politieagenten
  • LV = lichte verwondingen
  • MV = aan het meldpunt
  • BWB = soms

Slide 29 - Tekstslide

Huiswerk
Maak zoveel mogelijk tijdens de lessen. Maak de PLANNING HUISWERK af.

Slide 30 - Tekstslide