Blok 4, 5 en 6

Oefentoets

  • Blok 4 De basisschool
  • Blok 5 Het sportcentrum
  • Blok 6 Het gezondheidscentrum
1 / 47
volgende
Slide 1: Tekstslide
Zorg en WelzijnMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 47 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 5 videos.

Onderdelen in deze les

Oefentoets

  • Blok 4 De basisschool
  • Blok 5 Het sportcentrum
  • Blok 6 Het gezondheidscentrum

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Blok 4 De basisschool

Slide 3 - Tekstslide

Waar hebben we het over gehad?

  • Handhygiëne
  • EHBO - bloedneus
  • Leer- en gedragsstoornissen 

Slide 4 - Tekstslide

Leerstoornis
Gedragsstoornis
Dyslexie
ADHD
PDD-NOS
Dyscalculie

Slide 5 - Sleepvraag

Waar of niet waar?
Leer- en gedragsstoornissen komen alleen bij kinderen voor.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 6 - Quizvraag

Mensen met dyslexie hebben moeite met:
A
Schrijven
B
Rekenen
C
Stilzitten
D
Lezen

Slide 7 - Quizvraag

ADHD
PDD-NOS
Mensen met 
..kunnen zich moeilijk concentreren
..zijn vaak impulsief
..zijn vaak hyperactief
.. zijn snel afgeleid
..hebben moeite met communiceren
.. kunnen moeilijk omgaan met veranderingen.
.. hebben moeite met non-verbale signalen
.. zijn soms onhandig en angstig

Slide 8 - Sleepvraag

Leer- en gedragsstoornissen
  • Mensen met een leerstoornis hebben (veel) meer moeite met leren dan de meeste andere mensen. 
  • Mensen met een gedragsstoornis gedragen zich anders dan de meeste andere mensen. 

  • Leer- en gedragsstoornissen kunnen bij zowel kinderen als volwassenen voorkomen. 

Slide 9 - Tekstslide

Leerstoornis

  • Dyscalculie:
Mensen hebben moeite met rekenen. 
  • Dyslexie:
Mensen hebben moeite met leren, spellen en schrijven.

Gedragsstoornis

  • ADHD:
Mensen zijn vaak hyperactief, hebben moeite met aandacht en concentratie en zijn impulsief.
  • PDD-NOS:
Mensen hebben vaak sociale en communicatieve problemen. Ze kunnen moeilijk omgaan met veranderingen en hebben moeite met non-verbale signalen.

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

De bloedneus

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Wat moet je doen bij een bloedneus?
A
Je hoofd achterover houden.
B
Je neus vijf minuten dichtknijpen.
C
Één keer goed snuiten.
D
Meteen 1-1-2 bellen.

Slide 14 - Quizvraag

Wat moet je doen bij een bloedneus?
1. Houd het hoofd lichtjes voorovergebogen.
2. Laat het slachtoffer de neus een keer goed snuiten.

Snuit niet bij als de neus mogelijk gebroken is. Een neus kan gebroken zijn door een harde stomp of een harde bal op de neus. Snuit ook niet bij mogelijk schedelletsel.

3. Knijp de neus vijf minuten dicht. Als de bloeding dan nog niet gestopt is, knijp je de neus nogmaals vijf minuten dicht.
4. Controleer na tien minuten of de bloeding is gestopt.
Zo niet, houd dan de neus dichtgeknepen en neem contact op met de huisarts of de huisartsenpost.

Slide 15 - Tekstslide

Wanneer bel je voor hulp?
Wanneer moet je bellen met de huisarts?
- Als de bloeding na tien minuten nog niet is gestopt;
- Als het slachtoffer bloedverdunnende medicijnen gebruikt;
- Als het slachtoffer regelmatig een bloedneus heeft.
Wanneer moet je 1-1-2 bellen?
Als iemand een bloedneus heeft kregen na een ernstig ongeluk of een val op het hoofd. Er kan sprake zijn van hersenletsel;
bij verschijnselen van shock: het slachtoffer is bleek, zweet, voelt zich ziek (misselijk).

Slide 16 - Tekstslide

Blok 5 Het sportcentrum

Slide 17 - Tekstslide

Waar hebben we het over gehad?
  • Blessures bij het sporten
  • EHBO – Kneuzing, botbreuk en ontwrichting 
  • EHBO – Drukverband aanleggen: wonddrukverband en steunverband 
  • RI&E en BHV 
  • EHBO – Epileptische aanval 

Slide 18 - Tekstslide

Blessure

Slide 19 - Woordweb

Blessure
Wanneer mensen sporten, dan komt het soms voor dat zij last krijgen van een blessure. 

  • Acute 
  • Chronische blessure

Hoe voorkom je een blessure?


Slide 20 - Tekstslide

Waar of niet waar?
Bij een kneuzing is de huid vaak beschadigd.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 21 - Quizvraag

Waar of niet waar?
Bij een kneuzing heeft iemand meestal een blauwe plek en een zwelling.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 22 - Quizvraag

Een slachtoffer heeft zijn been gebroken. Wat moet je doen?
A
Vraag het slachtoffer zijn been te bewegen.
B
Bel 1-1-2.
C
Je zet het slachtoffer op een stoel.
D
Je legt een steunverband aan.

Slide 23 - Quizvraag

Botbreuk
Een botbreuk of ontwrichting kun je niet zelf oplossen. Je moet hulp zoeken van een arts.
Ga met een slachtoffer naar de (hui)arts als hij gewond is aan zijn hand, arm, schouder of voet. Voor letsels aan nek, rug, heup, been of knie: direct 112 (laten) bellen.


Laat het slachtoffer geen onnodige bewegingen maken!
Geef het slachtoffer niets te eten en drinken!

Slide 24 - Tekstslide

Wat is een drukverband?

Slide 25 - Open vraag

Wat heb je nodig voor het aanleggen van een drukverband?
A
Snelverband
B
Kleefpleister
C
Zwachtel
D
Watten

Slide 26 - Quizvraag

Wat is een BHV'er?
A
Iemand die je bloeddruk meet.
B
Iemand die werkt bij de brandweer
C
Een bedrijfshulpverlener
D
Een voedingscoach

Slide 27 - Quizvraag

BHV'er
Een bedrijfshulpverlener (bhv’er) biedt hulp als er in of bij een pand (bedrijf, winkel, school enzovoort) een incident is. De bhv’er weet wat er moet gebeuren tijdens een incident en handelt daarnaar. 

Drie taken van een bhv'er zijn:
  1. Het verlenen van eerste hulp bij ongelukken.
  2. Het beperken en het bestrijden van brand en het beperken van de gevolgen van ongevallen.
  3. Het in noodsituaties alarmeren en evacueren van alle werknemers en andere personen in het pand. 

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Video

Wat is epilepsie?
A
Geen idee
B
Aandoening van de luchtwegen
C
Aandoening van het tandvlees.
D
Aanvallen door verstoring in prikkeloverdracht hersenen.

Slide 30 - Quizvraag

Blok 6 Het gezondheidscentrum

Slide 31 - Tekstslide

Waar hebben we het over gehad?
  • Verpleegtechnische handelingen 
  • Bloeddruk 
  • Privacy en beroepsgeheim
  • EHBO – Splinter verwijderen
  • EHBO – Vinger tussen de deur  
  • Koorts 
  • Zorgtechnologie 
  • Diabetes Mellitus 

Slide 32 - Tekstslide

Verpleegtechnische handelingen
Meten van de bloeddruk
Nagels lakken
Injecties geven
Oren uitspuiten
Tanden poetsen
Haren kammen
Hechtingen verwijderen
Wratten behandelen

Slide 33 - Sleepvraag

Benoem een van de oorzaken van een te hoge bloeddruk

Slide 34 - Open vraag

Wat is de gemiddelde lichaamstemperatuur van de mens?
A
35,5
B
37
C
37,5
D
36

Slide 35 - Quizvraag

Wanneer spreken we van koorts?
A
Bij een lichaamstemperatuur van 38,5 graad of hoger.
B
Bij een lichaamstemperatuur hoger van 37 graad of hoger.

Slide 36 - Quizvraag

Koorts
Een mens heeft een gemiddelde lichaamstemperatuur van 37 graden. We spreken van koorts als je een lichaamstemperatuur hebt van 38,5 of hoger. Tussen de 37 en 38,5 graden spreek je van verhoging.

Slide 37 - Tekstslide

Benoem een voorbeeld van zorgtechnologie.

Slide 38 - Open vraag

Zorgtechnologie
Zorgtechnologie is de technologie die wordt ingezet om de kwaliteit van de zorg te verbeteren of om de zorg efficiënter te maken. Het kan bijvoorbeeld gaan om hulpmiddelen als rolstoelen of gehoorapparaten, maar ook om een ICT-systeem als het Elektronisch PatiëntenDossier. 

Slide 39 - Tekstslide

Een juist voorbeeld van zorgtechnologie is:
A
Gehoorapparaat
B
Scootmobiel
C
Rollator
D
Ipad

Slide 40 - Quizvraag

Slide 41 - Video

Rachid heeft diabetes.

Wat is een ander woord voor diabetes?

A
nierziekte
B
griep
C
suikerziekte
D
blaasontsteking

Slide 42 - Quizvraag

Bij welk type diabetes is het heel belangrijk om gezond te eten en voldoende te bewegen?
A
Type 1
B
Type 2

Slide 43 - Quizvraag

Bij welk type diabetes wordt er helemaal geen insuline aangemaakt?
A
Type 1
B
Type 2

Slide 44 - Quizvraag

Diabetes Mellitus 
  • Suikerziekte

De suikers uit voeding komen als glucose in het bloed. Als je diabetes hebt, kan het lichaam de glucose niet meer goed uit het bloed halen. Je alvleesklier maakt dan namelijk geen of niet genoeg insuline aan. Insuline is een hormoon dat de bloedsuikerspiegel regelt. Het zorgt er voor dat glucose in je cellen wordt opgenomen.

Slide 45 - Tekstslide

Zijn er nog vragen?

Slide 46 - Tekstslide

Wat ga je doen?
  • Zelfstandig leren voor de toets.
  • Een mindmap maken.
  • Verder werken aan blok 7.

Slide 47 - Tekstslide