3A - Rekenen met negatieve getallen

Rekenen met negatieve getallen

1 / 11
volgende
Slide 1: Slide
newEditorWiskundeSecundair onderwijsBeroepssecundair onderwijsLeerjaar 3

In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Rekenen met negatieve getallen

HERHALING!

2 + 3 = 5 ==> 2 en 3 noemen we de termen en 5 is de som.

8 - 6 = 2 ==> 8 en 6 noemen we ook de termen, maar specifiek is 8 het aftrektal, 6 de aftrekker en noemen 2 het verschil.

7 x 5 = 35 ==> 7 en 5 noemen we de factoren en 35 is het product.

27 : 9 = 3 ==> 27 en 9 noemen we ook de factoren, maar specifiek is 27 het deeltal, 9 de deler en noemen 3 het quotiënt.

termen
som
termen
aftrektal
aftrekker
verschil
factoren
product
factoren
deeltal
deler
quotiënt

-3

2

-7

-5

-12 + 8 =

A

-20

B

-4

C

20

D

4

-14 - 8 =

A

-22

B

-6

C

22

D

6

18-30 =

A

-48

B

12

C

48

D

-12

-15 - (-3) =

A

-15 - 3 = -18

B

-15 + 3 = -18

C

-15 - 3 = -12

D

-15 + 3 = -12

8 + (-15) =

A

8 - 15 = -23

B

8 + 15 = 23

C

8 - 15 = -7

D

8 - 15 = 7

Invuloefening

-2 + (-6 ) = -2 - 6 = -8

-2 - (-6) = -2 + 6 = 4

2 + (+6) = 2 + 6 = 8

2 + (-6) = 2 - 6 = -4

2 - (-6) = 2 + 6 = 8

-2 + (+6) = -2 + 6 = 4

-2 - (+6) = - 2 - 6 = -8

-2 - 6
-8
-2 + 6
4
2 + 6
8
2 - 6
-4
2 + 6
8
-2 + 6
4
- 2 - 6
-8