In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 45 min
Dit is niet oké
Onderdelen in deze les
Ingrid van Boven
ivb@reynaert.nl
docent economie en Nederlands
Iedere les meenemen:
laptop
rekenmachine
werkboek en schrift
Slide 1 - Tekstslide
Wat doen we vandaag?
Kennismaken
Uitleg methode en afspraken
Introductie economie
Slide 2 - Tekstslide
Wie ben ik?
Slide 3 - Tekstslide
Uitleg boek/methode
Bedrijfseconomie en algemene economie.
Ieder hoofdstuk bestaat uit een aantal paragrafen.
Iedere paragraaf start en eindigt met leerdoelen.
In de blauwe kaders staat theorie, in de groene kaders staan berekeningen.
Aan het einde van ieder hoofdstuk vind je rekenopdrachten, begrippen, herhalingsopdrachten en verdiepingsopdrachten.
Digitale methode: toetsen oefenen en digitaal boek, op te zoeken via de ELO.
Slide 4 - Tekstslide
Afspraken
Ieder hoofdstuk wordt afgesloten met een proefwerk (3x).
Opdrachten kun je al zoveel als mogelijk in de les maken, anders thuis.
Huiswerkcontrole.
Alle presentaties komen op de ELO te staan.
Werken via lessonup.
Afspraken in de klas.
Slide 5 - Tekstslide
Opdracht
Pak je laptop
Ga op internet naar lessonup.app
Voer de code in die op het bord staat.
Log in.
Gebruik een fatsoenlijke naam!
Slide 6 - Tekstslide
Stel je krijgt €50 om uit te geven. Welke keuze(s) maak jij: waar geef je het geld aan uit? Denk ook na waarom jij je geld hier aan uit geeft.
Slide 7 - Open vraag
Economie
Voorbeeld: Je hebt €20 zakgeld. Een bioscoopkaartje kost €12. Een pizza kost €10.
Conclusie: Je kunt dit niet allebei kopen. Je moet kiezen.
Economie gaat om keuzes maken. Deze keuzes zijn voor iedereen anders en zijn afhankelijk van jouw behoeften.
Slide 8 - Tekstslide
Economie = oikos nomos
Oudgriekse oorsprong van het woord economie
Oikos → het waarvoor we in de voorzien
Nomos → de kennis die we inzetten bij het voorzien in deze behoeften
Economie gaat over de keuzes die mensen, bedrijven en de overheid maken omdat beperkt zijn.
huishouden
Alle deelnemers binnen de economie:<div>- gezinnen</div><div>- consumtenten</div><div>- bedrijven / producenten</div><div>- overheid</div><div>- buitenland</div>
behoeften
Dit is alles wat je graag wilt hebben of nodig hebt, zoals kleding, eten, onderwijs, een nieuwe fiets, een spelcomputer.
middelen
Deze heb je nodig om in jouw behoeften te kunnen voorzien, zoals tijd en geld.
Slide 9 - Tekstslide
Oefenen
Ga met je buurman/buurvrouw in gesprek en leg uit welk keuze jij zou maken uit:
Sparen voor een nieuwe telefoon of nieuwe schoenen kopen.
Een bijbaan nemen of meer vrije tijd houden.
Een goedkope fiets kopen of een duurdere fiets die langer meegaat.
Je zakgeld meteen uitgeven of sparen voor later.
Een tweedehands laptop kopen of een nieuwe laptop.
Een merkproduct kopen of een goedkoper huismerk.
Slide 10 - Tekstslide
1. Jouw financiën
1.1 Behoeften en middelen
Slide 11 - Tekstslide
1.1 Behoeften en middelen - lesdoelen
Ik kan behoeften classificeren als primaire of secundaire behoeften.
Ik kan het begrip schaarste uitleggen met behulp van de begrippen 'behoeften' en 'middelen'.
Slide 12 - Tekstslide
1.1 Behoeften en middelen
Waarom is het belangrijk hier over te leren?
Nu of binnen een paar jaar heb je een bijbaan, ontvang je salaris, moet je keuzes maken over opleidingen, vakanties, uitgaven en misschien zelfs een auto. Economie helpt je om verstandige keuzes te maken.
Slide 13 - Tekstslide
Overleven?
Slide 14 - Woordweb
1.1 Behoeften en middelen
Behoeften
Alles wat je graag wilt hebben of nodig hebt, noem jebehoeften.
Primaire behoeften
Heb je nodig om te overleven.
Secundaire behoeften
Wil je graag hebben en maken je leven beter en prettiger.
Normale en luxebehoeften.
Slide 15 - Tekstslide
1.1 Behoeften en middelen
Keuzes maken
Keuzes maken omdatmiddelen (geld en/of tijd)beperkt zijn.
Schaarste
Ontstaat doordat je meer behoeften hebt dan middelen (geld en/of tijd).
Betekent dus nietdat er te weinig van is.
Schaarse goederen
Er zijn middelen nodig om deze goederen te produceren.
Wind, zeewater, zonlicht zijn vrije goederen.
Slide 16 - Tekstslide
1.1 Behoeften en middelen
Keuzes maken
Slide 17 - Tekstslide
1.1 Behoeften en middelen Oefenen
Maak opdrachten 1, 2, 4 en 5 op blz. 12 t/m 14.
Slide 18 - Tekstslide
Ik wil varen met een boot in de zee.
De boot is een...
A
schaars goed
B
vrij goed
Slide 19 - Quizvraag
Ik wil varen met een boot in de zee.
De zee is een...
A
schaars goed
B
vrij goed
Slide 20 - Quizvraag
Ik wil energie opwekken uit zonlicht.
Zonnepanelen zijn een ...
A
schaars goed
B
vrij goed
Slide 21 - Quizvraag
1. Jouw financiën
1.1 Behoeften en middelen
Slide 22 - Tekstslide
1.1 Behoeften en middelen - leerdoelen
Ik kan uitleggen op welke manieren mensen in hun behoeften kunnen voorzien.
Ik kan aan de hand van een voorbeeld uitleggen wat alternatief aanwendbaar betekent.
Slide 23 - Tekstslide
1.1 Behoeften en middelen
Consumeren
Om je behoeften te bevredigen kan je:
Producten consumeren (kopen). Dit kost geld. 1.Goederen (tastbaar): gebruiks- of verbruiksgoederen 2.Diensten (activiteiten)
Of aan zelfvoorziening doen: Iets zelf maken. Dit kost tijd.
Vraag: zijn zonnepanelen een vorm van zelfvoorziening?
Slide 24 - Tekstslide
Je gaat naar de schoonheidsspecialist.
Is hier sprake van een goed of dienst?
A
goed
B
dienst
Slide 25 - Quizvraag
Is Youtube een goed of een dienst?
A
goed
B
dienst
Slide 26 - Quizvraag
Een hamer is een...
A
gebruiksgoed
B
verbruiksgoed
Slide 27 - Quizvraag
Zowel een goed als een dienst?
Slide 28 - Woordweb
1.1 Behoeften en middelen
Alternatief aanwendbaar
Je kan je middelen verschillend inzetten. Geld en tijd zijn dus alternatief aanwendbaar. Je stelt hierbij prioriteiten.
Bv. band plakken?
Zelf doen: dit kost tijd en die tijd kun je dan niet aan iets anders spenderen.
Laten doen: dit kost geld en dat geld kun je dan niet aan iets anders spenderen.
Slide 29 - Tekstslide
1.1 Behoeften en middelen - leerdoelen
Ik kan behoeften classificeren als primaire of secundaire behoeften.
Ik kan het begrip schaarste uitleggen met behulp van de begrippen 'behoeften' en 'middelen'.
Ik kan uitleggen op welke manieren mensen in hun behoeften kunnen voorzien.
Ik kan aan de hand van een voorbeeld uitleggen wat alternatief aanwendbaar betekent.
Slide 30 - Tekstslide
1.1 Behoeften en middelen Oefenen
Maak opdrachten 7, 8, 10, 11 en 12 op blz. 15 t/m 17.
Ben je klaar? Maak dan herhalingsopdrachten 1, 2 en 4 op blz. 36.