Periode 3, week 4: P/T/RR - deel 2

Vitale functies; Pols, temperatuur en bloeddruk, deel 2
Periode 3 week 4
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Vitale functies; Pols, temperatuur en bloeddruk, deel 2
Periode 3 week 4

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen
Na deze les kun je de bloeddruk van de zorgvrager:
  • Meten
  • Interpreteren
  • En actie ondernemen bij afwijkende waarden.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Thieme Meulenhoff

Thieme Meulenhoff: Persoonlijke basiszorg
Module 8: Vitale functies en slaap-waakritme
Kop 3 : Observatie bloeddruk 

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is kerntemperatuur?

Slide 4 - Open vraag

Kerntemperatuur = De kerntemperatuur is de normale lichaamstempratuur; de temperatuur die minimaal aanwezig moet zijn in het lichaam om alle vitale functies te kunnen laten werken.
Waar kan je de temperatuur meten?

Slide 5 - Woordweb

rectale meting: meten in de anus;
orale meting: meten onder de tong;
axillaire meting: meten onder de oksel;
femorale meting; in de lies
tympanische of aurale meting: meten in het oor; via voorhoofd of slaap
Wat observeer je bij het meten van de pols?

Slide 6 - Woordweb

De frequentie van de pols: wat is het aantal slagen per minuut?
De regelmaat van de pols: is de pols regelmatig of niet?
De gelijkmatigheid van de pols: zijn de polsslagen gelijk gevuld?
De spanning en volume (kracht) van de pols: is de pols al of niet heftig?
Voorkennis bloeddruk activeren
Juist = staan / onjuist = blijven zitten
  • De linkerboezem ontvangt zijn bloed uit de longslagader
  • Slagaders vervoeren zuurstofrijk bloed
  • In de slagaders is de druk hoger dan in de aders
  • De druk in de aorta is hoger dan in de andere slagaders
  • In de slagaders zitten kleppen
  • Als je de bloeddruk meet, meet je de elasticiteit van de aders
  • Een hoge bloeddruk kan worden veroorzaakt door roken
  • Voor volwassenen is een bloeddruk van 100/60 normaal

Slide 7 - Tekstslide

  1. Niet juist
  2. Niet juist
  3. juist
  4. juist
  5. Niet juist
  6. Niet juist
  7. juist
  8. Niet juist

Slide 8 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Wat is bloeddruk?

Slide 9 - Woordweb

De bloeddruk (tensie) is de (Hydrostatische) druk die in de slagaders heerst, meestal gemeten in de bovenarm.
Het bloed wordt door het hart in de verschillende slagaders gepompt. Zo zorgt het hart ervoor dat het bloed door het bloedvatenstelsel stroomt. Het stromende bloed oefent druk uit op de bloedvaten. Deze druk is niet in alle bloedvaten even hoog. De druk in de bloedvaten vlak bij het hart (aorta en longslagader) is het hoogst; verderop in het bloedvatenstelsel wordt deze druk steeds lager.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waarom bewaken we de circulatie?

Slide 11 - Open vraag

Het hart, de bloedsomloop, de hartslag en de bloeddruk zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het hart is de pomp die ervoor zorgt dat het bloed door de bloedvaten stroomt. Het hart strekt samen en ontspant zich, en brengt de circulatie van het bloed op gang. Dit pompen geeft een ritme van wisselende druk in de aderen, dat als hartslag te meten en te voelen is. De bloeddruk is de druk die het bloed geeft in de slagaders, als het hart zich samentrekt en ontspant. Het functioneren van dit systeem geeft belangrijke informatie over de gezondheid van een zorgvrager; als verpleegkundige observeer je deze gegevens dan ook regelmatig.
Waarom wordt de bloeddruk gemeten?

Slide 12 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Bloeddruk, RR, Tensie
RR staat voor Riva Rocci, de uitvinder van deze bloeddrukmeter.
De bloeddruk wordt uitgedrukt in mmHg (millimeters kwik). Vroeger was de kwikmeter de meest gebruikte bloeddrukmeter.



Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bloeddruk, RR, Tensie
Er zijn twee waarden: 
  • Bovendruk (systolische druk)
  • Onderdruk (diastolische druk)

Bekijk hier het filmpje ->

Slide 14 - Tekstslide

Bij een bloeddrukmeting meet je als verpleegkundige de druk in de armslagader. De bloeddruk kent twee waarden:
bovendruk (systolische druk): heerst in de slagaders als het hart bloed in de aorta pompt;
onderdruk (diastolische druk): heerst in de slagaders als het hart zich in de ontspanningsfase bevindt.
Opdracht 1
Werk in 2-tallen onderstaande vragen uit:
  • Wat is de gemiddelde bloeddruk (RR) bij:
        - oudere zorgvragers (80+)
        - volwassenen
        - kinderen
        - baby’s
  • Wat gebeurt er in de systolische en diastolyse fase?
  • Wat zijn indicaties om de RR te meten?
  • Waar moet je op letten bij het meten van de RR 

Slide 15 - Tekstslide

De bloeddruk kan per persoon verschillen en hangt ook samen met de leeftijd. De bovendruk geeft het beste signaal af over een eventueel verhoogd risico op hart- en vaatziekten. De streefwaarde voor de bloeddruk is een waarde lager dan 140/90 mm Hg voor volwassenen tot 80 jaar. Bij een thuismeting moet de bloeddruk gemiddeld lager zijn dan 135/90 mm Hg. Thuis is de bloeddruk namelijk altijd iets lager dan in de spreekkamer bij de arts.
Hypertensie houdt in dat de bloeddruk te hoog is; een te lage bloeddruk wordt hypotensie genoemd. Bij een te lage bloeddruk is het totale beeld van de zorgvrager van belang. Zo is het mogelijk dat een volwassen persoon met een bloeddruk van 95/70 zich kiplekker voelt, terwijl iemand anders bij deze bloeddruk zeer duizelig is, bleek ziet, klam aanvoelt en misschien zelfs buiten bewustzijn dreigt te raken.
Sommige zorgvragers vinden een bloeddrukmeting zeer vervelend. Dit kan de bloeddrukwaarden beïnvloeden. Vooral de systolische druk kan door de spanning stijgen.
1. De gemiddelde bloeddruk ligt normaal bij:
oudere zorgvragers (80+) op 160/90 mmHg;
volwassenen op 120/80 mmHg;
kinderen op 110/60 mmHg;
baby’s op 90/60 mmHg.
2. Indicaties O.a.:
Client die medicijnen slikt tegen hoge bloeddruk om te kijken of medicatie werkt
Bloedingsgevaar
Klinisch zieke cliënt
Na operatie

Hypotensie = lage bloeddruk
Afhankelijk van de klachten van een cliënt spreken we over een hypotensie:
  • Duizeligheid
  • Zweten/klam aanvoelen
  • Bleekheid
  • Verminderd bewustzijn
  • Gapen
  • Verwardheid
  • Misselijkheid

Onder de 100 mmHg is er sprake van een te lage bloeddruk. 

Hypertensie = hoge bloeddruk
Afhankelijk van de klachten van een cliënt spreken we over een hypertensie:
  • Hoofdpijn
  • Vermoeidheid
  • Misselijkheid
  • Kortademigheid
  • Rusteloosheid


In geval van een bovendruk van 180 mmHg of hoger spreek je van hypertensie.

Slide 16 - Tekstslide

Er is sprake van een lage bloeddruk als de bloeddruk zo laag is dat het lichaam niet in staat is om normaal te functioneren (als er klachten optreden zoals duizeligheid, flauwvallen of een licht gevoel in het hoofd). Deze waarde kan voor iedereen verschillend zijn.
Hoge bloeddruk (hypertensie) komt veel voor, namelijk bij 5 tot 10% van de bevolking. Een bovendruk bij ouderen (80+) van meer dan 160 mmHg is in principe altijd te hoog.
De bloeddruk kan ook te laag zijn (hypotensie). Het meten van de bloeddruk is van belang bij een zorgvrager bij wie bloedingsgevaar bestaat. Een daling van de bloeddruk wijst dan op een dreigende shock. Dan krijgen minder belangrijke organen minder bloed, waardoor de huid bleek en klam wordt en de zorgvrager zich slap voelt. De pols is in zo’n geval te snel. Sommige mensen hebben altijd een lage bloeddruk. Dat is dan geen teken van ziekte.
Meestal is zowel de bovendruk als de onderdruk verhoogd. Maar het komt ook voor dat alleen de bovendruk is verhoogd. De bovendruk is bij het bepalen van het risico op hart- en vaatziekten het belangrijkst.
Hoge bloeddruk = SIlent killer
Opdracht 2
Zoek op in tweetallen:
Wat zijn de oorzaken van hypertensie en hypotensie?

Slide 17 - Tekstslide

Lage bloeddruk:
  • Bloedverlies
  • Vochtverlies
  • Infecties:(maagdarminfecties met spugen en diarree).
  • Zwangerschap (lage bloeddruk is dan een normaal verschijnsel).
  • Medicijngebruik (bijvoorbeeld bij plaspillen).
Orthostatische hypotensie: 
Duizeligheid en/of flauwvallen als u snel opstaat.
Overige oorzaken worden in leerjaar 2 behandeld.

Hoge bloeddruk:
  • Teveel zoutgebruik, er blijft dan teveel in de bloedvaten en zout houdt het vocht vast.
  • Vernauwing van een slagader, wat voor verhoogde druk zorgt.
  • Nierproblemen, waardoor het onvoldoende zouten worden uitgescheiden.
  • Medicijnen, o.a. pilgebruik, kunnen mensen hogere bloeddruk van krijgen.
Overige oorzaken worden in leerjaar 2 behandeld.

Huiswerk
Ga naar Thieme Meulenhoff en maak de verwerkingsopdrachten en stellingen behorende bij 
module 8: bloedsomloop, hartslag en bloeddruk
vragen 8 t/m 10 en de stellingen van dit hoofdstuk.

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies