week 45, 2e klas, les1/2

Bonjour! 
Aujourd'hui 
nous sommes 
vendredi 12 novembre
semaine 45
cours 1/2
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1,2

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Bonjour! 
Aujourd'hui 
nous sommes 
vendredi 12 novembre
semaine 45
cours 1/2

Slide 1 - Tekstslide

BUT DU COURS:  

  • PARLER
    Spreekopdracht maken
  • GRAMMAIRE
    Deel d: bijvoeglijk naamwoord

PARLER
CONCENTRATION
COMPÉTENCES

Slide 2 - Tekstslide

Départ
  1. Intro
  2. Grammaire: Partie D
  3. Au travail
  4. Quizlet
(05m)

(20 m)

(30m)

 (05m)

Slide 3 - Tekstslide

Het bijvoeglijk naamwoord
  • swfes
La fille est petite
Le garçon est petit
Les filles sont petites
Wat betekent het woord petit?
Hoe wordt dit woord in de 3 zinnetjes vertaald?

Slide 4 - Tekstslide

Het bijvoeglijk naamwoord

zegt iets over een zelfstandig naamwoord
Mon frère est grand           Mijn broer is groot





past zich in het Frans aan aan het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort

Slide 5 - Tekstslide

Hoe past het bijv. naamwoord zich aan? Oef 16

Slide 6 - Tekstslide

Een paar voorbeelden...

Slide 7 - Tekstslide

Het bijvoeglijk nw dat hoort bij een vrouwelijk zelfst nw krijgt een extra ...
A
e
B
s
C
es
D
niets

Slide 8 - Quizvraag

Het bijvoeglijk nw dat hoort bij een mannelijk zelfst nw krijgt dus
A
niets erbij
B
een extra e
C
es erbij
D
s erbij

Slide 9 - Quizvraag

Het bijvoeglijk nw dat hoort bij een mannelijk zelfst nw in meervoud krijgt
A
niets erbij
B
es
C
s
D
e

Slide 10 - Quizvraag

Het bijvoeglijk nw dat hoort bij een vrouwelijk zelfst nw in meervoud krijgt
A
s
B
niets erbij
C
es
D
e

Slide 11 - Quizvraag

Kies het juiste antwoord:
Léa est une fille _____ (blond)
A
blonde
B
blond

Slide 12 - Quizvraag

Maak de zin goed af:
Léa et Anna sont ___ (petit)

Slide 13 - Open vraag

Kies het juiste antwoord:
La maison est très _______ (grand)
A
grande
B
grand

Slide 14 - Quizvraag

Maak de zin goed af:
C'est un film ___ (difficile)

Slide 15 - Open vraag

Maak de zin goed af:
Les garçons sont _____(petit)

Slide 16 - Open vraag

         Sommige bijvoeglijke naamwoorden zijn onregelmatig!
 Daarbij gelden NIET de regels die je net hebt gezien.






Het gaat om de volgende bijvoeglijke naamwoorden:
  • bon          (goed, lekker)
  • beau        (mooi)
  • nouveau (nieuw)
  • vieux        (oud)

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Welk woord in deze zin is een bijvoeglijk naamwoord?

Paris est une belle ville
A
Paris
B
belle
C
ville
D
une

Slide 19 - Quizvraag

Welk woord in deze zin is een bijvoeglijk naamwoord?

C'est une chanson française
A
une
B
c'est
C
chanson
D
française

Slide 20 - Quizvraag

Welk woord in de zin is een bijvoeglijk naamwoord?
C'est une famille formidable.
A
C'est
B
une
C
famille
D
formidable

Slide 21 - Quizvraag

Welke zin is grammaticaal correct?
A
J'ai une copine français.
B
Mon père a un vélo grises.
C
Nous avons une grands maison.
D
Elle a une petite soeur.

Slide 22 - Quizvraag

Zet het bijvoeglijk naamwoord "beau" in de juiste vorm:
J'ai une ________ copine.

Slide 23 - Open vraag

Partie D
We kijken samen naar oefening 16 (blz 71)

Slide 24 - Tekstslide

PLAATS
Het is een grijze kat.                                   C'est un chat gris.
Het is een schattig konijn.                            C'est un lapin adorable.

Wat valt je op?

Slide 25 - Tekstslide

PLAATS
Het is een grijze kat.                                   C'est un chat gris.
Het is een schattig konijn.                            C'est un lapin adorable.

Wat valt je op?
* In het Nederlands staat het bijvoeglijk naamwoord altijd VOOR het zelfstandig naamwoord.
* In het Frans staat het er meestal juist ACHTER.

Slide 26 - Tekstslide

Uitzonderingen
De volgende bijvoeglijk naamwoorden staan in het Frans altijd VOOR het zelfstandig naamwoord
bon                            vieux
grand                          petit
beau                          nouveau



Slide 27 - Tekstslide

Welke zin klopt NIET?
A
Il a une table brune.
B
Elsa a un oncle espagnol.
C
J'ai une française copine.
D
Vous avez un vélo orange?

Slide 28 - Quizvraag

Welke zin is grammaticaal FOUT?
A
Des vieilles maisons
B
Les petites filles
C
Le livre beau
D
Le nouveau portable

Slide 29 - Quizvraag

4. AU TRAVAIL
  1. Faire Chapitre 2 tm Partie D 

  2. Spreekoefening (zie magister)

  3. Vul lesreflectie in.
timer
1:00

Slide 30 - Tekstslide

  • Partie A - G
  • Daarna 2x rondes

Slide 31 - Tekstslide

au prochain cours!

Slide 32 - Tekstslide