5.3 Genen en allelen

1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1-6

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 70 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

              Startklaar en huiswerkcontrole
  • Op je plek zitten 
  • Telefoon is verboden
  • Jas over de stoel, oortjes in de tas, tas op de grond
  • Schoolspullen op tafel: Boek, Chromebook, etui 
  • Ingelogd op LessonUp
  • Boek open blz. 118
  • Schrift open huiswerk zichtbaar
5.1 lichaamscellen en het aantal chromosomen. Leerdoel: Je kunt aangeven dat bij mensen het geslacht wordt bepaald door de geslachtschromosomen.
5.1 opgave 2 en 3 genotype en fenotype
5.1 opgave 4, 6 en 8 genen en hun activiteit
5.2 opgave 1: chromosomen in lichaamscellen en geslachtcellen. geslachtsbepaling
5.2 opgave 5 chromosomensamenstelling in verschillende typen cellen













timer
1:00

Slide 2 - Tekstslide

1. Startklaar
Bij de start van iedere les verwelkomt de docent de leerlingen bij de ingang van de deur, noemt leerlingen bij naam, maakt oogcontact en besteedt aandacht aan hun welbevinden. De docent geeft het goede voorbeeld en spreekt hoge verwachtingen uit voor het verloop van de les door succescriteria op gewenst gedrag, schooltaal en effectief leren te benoemen. De leerlingen zijn startklaar: ingelogd in LessonUp, telefoons opgeborgen in het Zakkie, en JdW-map op tafel.
Overzicht Periode 3
  • Thema: Erfelijkheid en evolutie. En ordening
  • Benodigde lesmaterialen: boek B en LessonUp
  • Opmerking: periode 3 toets is niet herkansbaar!
Week 12
Week 14
Week 15
Week 16
Week 17/18
Week 19
Week 20
Week 21
Week 22
Week 23 
Week 24
Toets bespreken
5.1 + 5.2
5.3 + 5.4
5.4
Meivakantie
Oefenvragen evolutie
5.5
5.6
Ordening LU
Ordening LU
extra les

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Erfelijkheid en evolutie
Herhaling 5.1 Genotype en fenotype en 5.2 chromosomen

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Fenotype of genotype?
A
Fenotype
B
Genotype

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het fenotype en wat is het genotype?
A
Fenotype is uiterlijk, genotype is je bewerkte uiterlijk
B
Fenotype zijn al je genen en genotype is je uiterlijk
C
Fenotype is je geverfde haarkleur, en genotype is je eigen haarkleur
D
Fenotype is je uiterlijk en genotype zijn al je erfelijke eigenschappen

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Stamcellen
Stamcellen zijn cellen die nog niet gespecialiseerd zijn. Ze kunnen zich ontwikkelen tot verschillende soorten cellen (fenotypes). 
Vraag 1: Blijft de genotype gelijk na de ontwikkeling?
Vraag 2: Maar hoe komt het dan dat fenotype verandert terwijl de genotype gelijk blijft?

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vraag 1: Blijft de genotype gelijk na de ontwikkeling?
Vraag 2: Maar hoe komt het dan dat fenotype verandert terwijl de genotype gelijk blijft?

Slide 8 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Metamorfose is gedaantewisseling. Een rups wordt vlinder. 
Verandert de fenotype van het organisme? 
Verandert de genotype tijdens of na de metamorfose?
Staan bij de rups dezelfde genen aan als bij de vlinder?
Ja. De fenotype verandert
Nee. de genotype blijft hetzelfde. alleen fenotype verandert
Nee, bij rups staan andere genen aan die de organisme een fenotype van een rups geven. Bij de vlinder staan weer andere genen aan die de organisme een vlinder fenotype geeft

Slide 9 - Tekstslide

DNA = kookboek
Gen = recept
Cel = kok
Verandert de fenotype van het organisme?
Verandert de genotype tijdens of na de metamorfose?
Staan bij de rups dezelfde genen aan als bij de vlinder?

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn geslachtcellen?
Wat zijn geslachtchromosomen? 
Hoe wordt het geslacht door chromosomen bepaald?
geslachtcellen zijn zaadcellen (man) en eicellen (vrouw)
geslachtchromosomen zijn erfelijke informatie die opgeslagen liggen in de celkern. 
Bij lichaamcellen bevat de celkern 2 geslachschromosomen. 
Bij geslachtcellen bevat de celkern 1 geslachtschromsomen
XX = vrouw. XY = vrouw. 
De celkern van geslachtcel bevat 1 geslachschromosoom. Dat is bij de eicel altijd een X chromosoom. Bij de zaadcel of X chromosoom of Y-chromosoom.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Chromosomen: langgerekte dunne draden in de celkern die bestaan uit opgerold DNA
Geslachtschromosomen

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Genetische variatie
Wat is genetische variatie?


De volgende pagina: hoe ontstaat genetische variatie?
Genetische variatie is verschil in het erfelijk materiaal. Hoe meer verschil in in erfelijk materiaal, hoe meer genetische variatie.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ongeslachtelijke voortplanting vs geslachtelijke voortplanting. Bij welke vorm van voortplanting ontstaat genetische variatie? En waarom?
vinger opsteken: 1 bij geslachtelijke voortplanting
3: bij ongeslachtelijke voortplanting
5: ik weet het niet

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

           Leerdoelen
5.1 R: Je kunt omschrijven wat het genotype en het fenotype zijn.

5.1 T: Je kunt uitleggen dat cellen alleen de erfelijke informatie gebruiken die ze nodig hebben.

5.2 T: Je kunt uitleggen hoe elk van de ouders 50% van de chromosomen levert.

5.2 R: Je kunt aangeven dat bij mensen het geslacht wordt bepaald door de geslachtschromosomen.

5.2 T: Je kunt uitleggen hoe door geslachtelijke voortplanting variatie in genotypen ontstaat.


Slide 15 - Tekstslide

3. Leerdoelgericht werken
De docent geeft het onderwerp, RTTI geformuleerde leerdoelen en de lesopbouw aan. De docent weet de leerdoelen goed te laten aansluiten bij de voorkennis en het (taal)niveau van de leerlingen. Gedurende de les wordt continu een terugkoppeling naar de leerdoelen gemaakt om de mate van beheersing te controleren.      
Erfelijkheid en evolutie
5.3 genen en allelen

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

           Leerdoelen
R: je kunt omschrijven wat genen en allelen zijn

R: Je kunt omschrijven wat een mutatie is

R: Je kunt omschrijven wat kanker is

Slide 17 - Tekstslide

3. Leerdoelgericht werken
De docent geeft het onderwerp, RTTI geformuleerde leerdoelen en de lesopbouw aan. De docent weet de leerdoelen goed te laten aansluiten bij de voorkennis en het (taal)niveau van de leerlingen. Gedurende de les wordt continu een terugkoppeling naar de leerdoelen gemaakt om de mate van beheersing te controleren.      
DNA, de dubbel helix

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een stukje DNA met 4 baseparen A, T, C en G.
Wat valt je op als je naar de baseparen kijkt?
A staat altijd tegen over T. En G staat altijd tegenover C

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een gen bestaat uit een lange reeks baseparen. Een soort code. Deze code bepaalt een fenotype waarvoor dat gen voor is bedoeld
bijvoorbeeld gen oogkleur blauw voor oogkleur ATCATTGCAATT
of gen oogkleur bruin voor oogkleur GCGCTAATAGCT

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

chromosoompaar 15
Vader
Moeder

Slide 21 - Tekstslide

chromosoompaar 15, eentje gekregen van je vader (zaadcel) en eentje van je moeder (eicel). En die combinatie zit in al je lichaamscellen. op de chromosomen zitten verschillende genen op. bijvoorbeeld gen A en gen B die de oogkleur bepalen. Van gen A heb je dus 2 en van gen B ook.
Allel: een variant van een gen voor een erfelijk eigenschap
Vader
Moeder

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

gen = welke eigenschap
allel = welke versie van die eigenschap

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat omschrijft genen en allelen het best?
A
een gen zit in het DNA een allel op een chromosoom
B
een gen is een eigenschap een allel is een variant van de eigenschap
C
allel en gen zijn synoniemen van elkaar
D
een allel is een eigenschap een gen is een variant van de eigenschap

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

R: Je kunt omschrijven wat een mutatie is

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stel blauwe oogkleur heeft code ATCATTGCAATT. Wat kan er gebeuren als door foutje of beschadiging een basepaar verwisseld worden? Kan dat effect hebben op de blauwe oogkleur fenotype?

Ja. de baseparen bepalen de blauwe oogkleur fenotype. Als de baseparen code verandert wordt, kan dat effect hebben op de fenotype. Waardoor je ogen niet meer blauw worden
ATCATTGCAATT wordt 
GTCATTGCAATT

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

R: Je kunt omschrijven wat een mutatie is
Een mutatie is een plotselinge verandering in de erfelijke informatie. 
Bij een mutatie zijn één of meer allelen gemuteerd 


(code is niet meer het originele code omdat minimaal één basepaar veranderd is).

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. mutatie in een lichaamscel

2. mutatie in een geslachtscel



Wat heeft meer impact? vingers opsteken

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De snelheid waarmee cellen delen wordt bepaald door het DNA. Je hebt dus een gen voor celdeling

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat kan er gebeuren als de DNA code van dat gen voor celdeling  muteert? dus code verandert plotseling door een foutje?
De cel dat gemuteerd is in het gen dat celdeling regelt kan extra snel gaan delen. Er is geen controle meer over de celdeling. De gen voor celdeling heeft haar functie (fenotype) verloren.

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn genen?

A
Genen zijn informatie die iets zeggen over huidskleur of oogkleur
B
Genen zijn delen van een chromosoom die coderen voor een eigenschap, van ieder gen heb je twee allelen.
C
Genen zorgen voor je fenotype (hoe je er uit ziet)
D
A, B en C zijn allemaal goed

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk
Opgaven 1 t/m 8 blz 122

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

           Aan de slag
Checklist:
  • Expliciete instructie voor toepassingsopdracht: wat, hoe, hoe lang, klaar?
  • Afwisseling in oefentypes (herkneden van de lesstof)
  • Eerst voordoen, daarna begeleidt inoefenen, vervolgens zelfstanding en weer samen (ik--wij-jij/jullie-wij)
  • Het leren zichtbaar maken (zelftesten, gespreid leren, schema’s maken, en samenvatten volgens de Cornell-methode )
  • Differentiëren waar nodig: heterogeen en flexibel.

Slide 33 - Tekstslide

6. Actieve verwerking
De docent maakt expliciet hoe de leerstof actief verwerkt dient te worden. De docent start met modelleren en laat leerlingen vervolgens actief inoefenen. Volgens het 'ik-wij-jullie/jij-wij' principe wordt de ondersteuning geleidelijk afgebouwd. Er wordt gevarieerd in oefentypes en het leerproces wordt zichtbaar gemaakt, bijvoorbeeld met hardop denken opdrachten. Effectieve leerstrategieën zoals zelftesten, gespreid leren, schema’s maken, en samenvatten volgens de Cornell-methode worden expliciet aangeleerd. Dit herkneden van de lesstof helpt bij het bewerken van het lange termijn geheugen
           Afsluiting
Checklist:
  • Zijn de leerdoelen behaald?
  • Les in context plaatsen van de periode 
  • Het leren en het gedrag samen evalueren
  • Vooruitblikken adhv JdW-planner  

Slide 34 - Tekstslide

8. Afsluiting
De docent controleert in de slotfase van de les of de leerdoelen door alle leerlingen behaald zijn en plaatst de les in de context van de betreffende periode. De docent evalueert samen met de leerlingen het leren en het gedrag en blikt vooruit aan de hand van de JdW-planner. 

           Begrippen
           uit deze les
5.1 genotype, fenotype, erfelijk, omgeving, leefstijl, lichaamscellen, celkern, celdeling, chromosomen, DNA, genen.

5.2 chromosomenparen, meiose, geslachtscellen, X-chromosoom, Y-chromosoom,


Homozygoot, heterozygoot, dominant, recessief,


Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Genotype
fenotype
chromosomen
geslachtschromosomen
Genen
timer
2:30

Slide 36 - Open vraag

- Genotype: Alle erfelijke informatie voor al je erfelijke eigenschappen.
- Fenotype: de eigenschappen van een organisme.
- Chromosomen: Lange dunne draden waarop erfelijke informatie zit.
- Geslachtschromosomen:  de 23e chromosoompaar bij de mens is xx of xy
- Genen: een deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor een eigenschap

Eindslide.

Ruimte voor een afsluitend woord.

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies