In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Lesduur is: 30 min
Dit is niet oké
Onderdelen in deze les
Elektro,Pascal, ketting en hydrauliek
Slide 1 - Tekstslide
Wat weet je van de spanning in een serie schakeling
Deze verdeeld zich over de gebruikers
Deze is bij iedere gebruiker gelijk
Slide 2 - Poll
De eenheid van stroomsterkte is:
A
Volt
B
Watt
C
Ampère
D
Ohm
Slide 3 - Quizvraag
R is het symbool voor?
A
Stroom sterkte
B
Spanning
C
Weerstand
D
Vermogen
Slide 4 - Quizvraag
De wet van Ohm luidt:
A
P = U x I
B
U = I x R
C
R = U x I
D
F = p x A
Slide 5 - Quizvraag
Sleep de grootheid naar de juiste pijl
Spanning
Weerstand
Stroom
Slide 6 - Sleepvraag
Heeft een voltmeter een kleine of een grote weerstand
Kleine
grote
weet ik niet
Slide 7 - Poll
I is het symbool voor?
A
Stroom sterkte
B
Spanning
C
Weerstand
D
Vermogen
Slide 8 - Quizvraag
Wat is het symbool voor spanning?
A
P
B
U
C
I
D
t
Slide 9 - Quizvraag
Wat is de wet van Ohm
A
R = I/U
B
R = U/I
C
R = U.I
D
R = P/I
Slide 10 - Quizvraag
Spanning (U) = 12V Stroom sterkte (I) = 0,5 A Wat is de weerstand
A
R= U . I
R= 12V x 0,5 A
R= 6 ohm
B
R= I/U
R = 0,5A / 12V
R = 0,042 ohm
C
I = U / R
I= 12V /12 ohm
I= 1A
D
R = U/I
R= 12V /0,5A
R=24 ohm
Slide 11 - Quizvraag
Spanning is 230 Volt en de stroom is 10 Ampere. Wat is de weerstand van het apparaat?
A
2,3 ohm
B
2300 ohm
C
23 ohm
D
0,04 ohm
Slide 12 - Quizvraag
Op een multimeter staat ACV en DCV:
A
ACV = wisselstroom
DCV = gelijkstroom
B
ACV = wisselweerstand
DCV = gelijkweerstand
C
DCV = wisselspanning
ACV = gelijkspanning
D
DCV = gelijkspanning
ACV = wisselspanning
Slide 13 - Quizvraag
Wat wordt hier gemeten
A
Weerstand van de lamp
B
Stoom door de lamp
C
Spanning over de lamp
D
Accu spanning
Slide 14 - Quizvraag
welke bewering klopt
A
een generator wekt elektrisch vermogen op
B
een lamp slaat elektrisch vermogen op
C
Een accu wekt elektrisch vermogen op
D
een startmotor slaat
elektrisch vermogen op
Slide 15 - Quizvraag
Wat weet je van de spanning in een parallelle schakeling
de spanning is over iedere gebruiker gelijk
de spanning verdeeld zich over iedere gebruiker
Slide 16 - Poll
Wat is de technische stroomrichting van de elektronen?
A
Van min naar plus
B
Van Plus naar min
C
Van atoom naar kern
D
Van atoom naar kern
Slide 17 - Quizvraag
Een zekering beschermt de componenten van een elektrische installatie tegen de gevolgen van:
A
een te grote stroom.
B
een te kleine stroom
C
een te hoge spanning
D
een te kleine spanning
Slide 18 - Quizvraag
Wat houdt de wet van Pascal in?
A
Druk plant zich ongelijk voort in een vloeistof
B
Druk plant zich gelijkmatig voort in alle richtingen
C
Druk verdwijnt bij contact met lucht
D
Druk werkt alleen naar beneden
Slide 19 - Quizvraag
De eenheid van stroomsterkte is:
A
Volt
B
Watt
C
Ampère
D
Ohm
Slide 20 - Quizvraag
Wat is een toepassing van de wet van Pascal?
A
Elektrische schakeling
B
Hydraulische remmen
C
Magnetische koppeling
D
Pneumatische cilinder
Slide 21 - Quizvraag
Berekening van kracht =
A
F= A / P
B
F= p / A
C
F= A x p
D
F = p × A
Slide 22 - Quizvraag
Een kleine zuiger heeft een kracht van 100 N en een oppervlakte van 8 cm². De grote zuiger heeft een oppervlakte van 150 cm². Wat is de kracht op de grote zuiger?
A
1200 N
B
1500 N
C
1875 N
D
2000 N
Slide 23 - Quizvraag
De druk in een hydraulisch systeem is overal gelijk. Bij stilstaande vloeistof
A
Waar
B
Onwaar
Slide 24 - Quizvraag
Berekening van druk
A
P =F / A
B
P =F x A
C
P= A / F
D
P = A x F
Slide 25 - Quizvraag
Berekening van volume
A
V = A / h
B
V = P /F
C
V = h / A
D
V= A x h
Slide 26 - Quizvraag
Wat is het doel van een kettingoverbrenging?
A
Het opwekken van stroom
B
Het slipvrij overbrengen van draaiende beweging
C
Het dempen van trillingen
D
Het koelen van onderdelen
Slide 27 - Quizvraag
Wat is de maximale overbrengingsverhouding bij kettingoverbrengingen?
A
1:6
B
1:12
C
1:24
D
1:36
Slide 28 - Quizvraag
Een aandrijfwiel heeft 80 tanden en draait met 250 omw/min. Het aangedreven wiel heeft 50 tanden. Wat is het toerental van het aangedreven wiel?
A
125 omw/min
B
250 omw/min
C
400 omw/min
D
500 omw/min
Slide 29 - Quizvraag
Een gebogen verloopschakel is sterker dan een rechte sluitschakel.
A
Waar
B
Onwaar
Slide 30 - Quizvraag
Waarom moet je de sluitveer met het gesloten einde in de bewegingsrichting van de ketting monteren?
A
Voor de smering
B
Voor de snelheid
C
Voor de veiligheid
D
Voor de koeling
Slide 31 - Quizvraag
Waarom moet je altijd een beschermkap aanbrengen bij een kettingoverbrenging?
A
Tegen stof
B
Tegen lawaai
C
Voor veiligheid
D
Voor smering
Slide 32 - Quizvraag
Een ketting heeft een steek van 15.9mm wat is de steek in inch
A
3/8''
B
5/8''
C
1/2''
D
1''
Slide 33 - Quizvraag
Waar plaats je een kettingspanner?
A
Trekkende deel
B
Altijd bovenaan
C
Niet-trekkende deel
D
Plaats maakt niet uit
Slide 34 - Quizvraag
Op een hydrauliek slang staat 3/8'' dit betekent
A
Binnen maat van de slang is 3/8''
B
Buitenmaat van de slang is 3/8''
C
Binnen maat van de slang is 9.5 mm
D
Buitenmaat van de slang is 9.5 mm
Slide 35 - Quizvraag
Voor een hydraulisch schema geldt dat de componenten worden getekend in de:
A
hydraulische pomp in geschakelde stand
B
bediende stand stuurschuif
C
drukbegrensingklep ingeschakelde stand
D
ruststand
Slide 36 - Quizvraag
Een hydraulisch systeem is ingedeeld in verschillende groepen: Stuurgroep, conditioneringsgroep en enz. Welke groep is verbonden met de motorgroep.