Gemoedstoestanden

GEMOEDS-TOESTANDEN

een woordenschatles

1 / 23
volgende
Slide 1: Slide
newEditorTaalSecundair onderwijsAlgemeen secundair onderwijs

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 100 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

GEMOEDS-TOESTANDEN

een woordenschatles

Hoe voelt zij zich?

Hoe voelt hij zich?

Hoe voelt zij zich?

Sleep het woord nar de juiste uitleg.

heel blij en enthousiast

tevreden na het doen van iets

boos omdat iets niet lukt

niet goed weten wat er gebeurt

gefrustreerd

voldaan

verward

verrukt

Je krijgt onverwacht een cadeau. Je bent ...

A

verrast

B

verwonderd

C

verslagen

Je studeert twee uur zonder afleiding. Je bent ...

A

geobsedeerd

B

gefocust

C

verward

Je werkt lang aan iets en het lukt eindelijk. Je bent ...

A

voldaan

B

verrukt

C

verbolgen

Welk woord omschrijft best de gemoedstoestand?

1. De klas was leeg toen zij haar schrift dichtdeed. De taak was af, elke zin stond op zijn plaats. Ze keek nog één keer naar haar werk en knikte zacht. Het was niet perfect, maar het was goed. Ze stond op en voelde zich voldaan.

voldaan

Welk woord omschrijft best de gemoedstoestand?

2. Toen de leraar haar naam riep, kon ze het eerst niet geloven. Ze stond recht, haar handen trilden licht. Dit was het resultaat van weken oefenen. Ze glimlachte zo breed dat haar wangen pijn deden. Alles in haar lichaam zei hetzelfde: dit is gelukt. Ze was verrukt, alsof de dag speciaal voor haar gemaakt was.

verrukt

Welk woord omschrijft best de gemoedstoestand?

3. Hij bleef staan midden op het plein. De stad was stil, maar boven hem kleurde de lucht roze en goud. Zo had hij de ochtend nog nooit gezien. Hij ademde langzaam in, bang om het moment te breken. Met open ogen en een rustig hart keek hij toe. Hij voelde zich verwonderd

verwonderd

Welk woord omschrijft best de gemoedstoestand?

4. Ze luisterde, maar haar gezicht bleef strak. Het was niet eerlijk, dat wist ze zeker. Ze had haar best gedaan, maar niemand leek dat te zien. Met gekruiste armen keek ze voor zich uit. Ze voelde zich verongelijkt.

verongelijkt

Welk woord omschrijft best de gemoedstoestand?

5. Na het gesprek begon hij meteen te schrijven. Ideeën kwamen sneller dan hij ze kon opschrijven. Zijn hoofd was vol plannen en mogelijkheden. De twijfel was even weg. Hij voelde zich geïnspireerd en wilde niet stoppen.

geïnspireerd

Welk woord omschrijft best de gemoedstoestand?

6. Toen hij de deur opende, hoorde hij plots applaus. Hij schrok en lachte tegelijk. Dit had hij niet verwacht. Zijn ogen zochten de gezichten in de kamer. Verrast keek hij rond, niet goed wetend wat hij moest zeggen.

Verrast

Welk woord omschrijft best de gemoedstoestand?

7. Hij zat op de rand van zijn bed en staarde naar de vloer. Alles voelde zwaar. Wat hij ook probeerde, het leek niet te werken. De stilte in de kamer maakte het alleen maar erger. Hij voelde zich verslagen en wist even niet hoe verder te gaan.

verslagen

Welk woord omschrijft best de gemoedstoestand?

8. Vroeger hoopte ze op verandering. Nu verwachtte ze niets meer. Elke teleurstelling had een klein stukje van haar vertrouwen weggenomen. Ze lachte soms, maar haar woorden waren scherp. Ze was langzaam verbitterd geraakt.

verbitterd

Welk woord omschrijft best de gemoedstoestand?

9. Hij dacht erover tijdens het eten, onderweg, zelfs in zijn slaap. Alles draaide om dat ene idee. Anderen probeerden hem af te leiden, maar het lukte niet. Hij was geobsedeerd.

geobsedeerd

Welk woord omschrijft best de gemoedstoestand?

10. De wereld rond hem leek te verdwijnen. Hij hoorde geen stemmen, geen geluiden. Alleen de taak voor hem bestond nog. Stap voor stap werkte hij verder. Hij was volledig gefocust.

gefocust

Welk woord omschrijft best de gemoedstoestand?

11. Toen hij hoorde wat er gebeurd was, kneep hij zijn handen tot vuisten. Dit ging te ver. Zijn stem trilde toen hij sprak. De boosheid brandde in zijn borst. Hij was verbolgen.

verbolgen

Welk woord omschrijft best de gemoedstoestand?

12. Elke nacht lag hij wakker. Zijn gedachten bleven terugkomen, steeds dezelfde vragen. Overdag glimlachte hij, maar vanbinnen deed het pijn. De zorgen lieten hem niet los. Hij voelde zich gekweld.

gekweld

Welk woord omschrijft best de gemoedstoestand?

13. Hij probeerde het opnieuw, en nog eens. De woorden kwamen niet zoals hij wilde. Zuchtend schoof hij zijn stoel achteruit. Waarom lukte dit niet? Hij voelde zich gefrustreerd en wreef door zijn haar.

gefrustreerd

Welk woord omschrijft best de gemoedstoestand?

14. Ze keek naar het bord en daarna naar haar notities. Iets klopte niet, maar ze wist niet wat. De uitleg leek tegelijk simpel en moeilijk. Met gefronste wenkbrauwen bleef ze zitten. Ze voelde zich verward.

verward

Welk woord omschrijft best de gemoedstoestand?

15. Het nieuws kwam plots, zonder waarschuwing. Ze begreep niet meteen wat er gezegd werd. Haar hart sloeg snel en haar hoofd voelde leeg. Even wist ze niet wat te doen of te zeggen. Ze was volledig ontdaan.

ontdaan