persoonswoorden en bezitswoorden

persoonswoorden en bezitswoorden
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsISK

In deze les zitten 19 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 35 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

persoonswoorden en bezitswoorden

Slide 1 - Tekstslide

4 kaartjes 
ik  -  jij  -  hij  -  zij

Er komt een vraag.

Welk kaartje is het?

Werk met je groepje.

Slide 2 - Tekstslide

 persoonswoord: hij of zij?





Joshua  
  • hij 
   

Slide 3 - Tekstslide

hij of zij?




Dit is Joshua
... heeft zwart haar.
  • Hij heeft zwart haar.

Slide 4 - Tekstslide

hij of zij?






  • Zij

Slide 5 - Tekstslide

hij of zij?




Dit is oma Leah
... kookt soep.
  • Zij kookt soep.

Slide 6 - Tekstslide

ik, jij, hij of zij?





Hallo, ... ben Yasmina.
  • Hallo, ik ben Yasmina

Slide 7 - Tekstslide

ik, jij, hij of zij?







... zit op een gele stoel.
  • Jij zit op een gele stoel.

Slide 8 - Tekstslide

wij of jullie?





... leren op school.
  • Wij leren op school.

Slide 9 - Tekstslide

Wij, jullie of zij (meer personen)?





... zijn verliefd.
  • Zij zijn verliefd.

Slide 10 - Tekstslide

Wij of jullie?





... hebben een beker.
  • Jullie hebben een beker.

Slide 11 - Tekstslide

bezitswoorden: zijn of haar?




Oma kookt soep.
... soep is lekker.
  • Haar soep is lekker.

Slide 12 - Tekstslide

bezitswoorden: zijn of haar?



Dit is Minh.
Hij heeft een blauwe jas.
Dat is ... jas.
  • Dat is zijn jas. 

Slide 13 - Tekstslide

mijn, zijn of haar?




Minh heeft een broer.
... broer heet Duy.
  • Zijn broer heet Duy.

Slide 14 - Tekstslide

mijn of zijn?





Ik lees een boek.
Dit is ... boek.
  • Dit is mijn boek.

Slide 15 - Tekstslide

ons of jullie?
Wij eten fruit.




Dit is ... fruit.
  • Dit is ons fruit.

Slide 16 - Tekstslide

onze of jullie?
Jullie houden van pizza.




Dit is ... pizza met kaas.
  • Dit is jullie pizza met kaas 

Slide 17 - Tekstslide

ons of hun?
Onze buren zijn aardig.




... huis is groot.
  • Hun huis is groot.

Slide 18 - Tekstslide

Zelf werken
Vul het werkblad in.
Lees de zinnen goed.
Heb je een vraag? Steek je hand op.

Klaar? 
Maak zelf een zin met een persoonswoord.
Maak zelf een zin met een bezitswoord.

timer
10:00

Slide 19 - Tekstslide