thema 1 b2 verbranding

thema 1 B2 
Verbranding
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
fransSecundair onderwijs

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 8 min

Onderdelen in deze les

thema 1 B2 
Verbranding

Slide 1 - Tekstslide

even opfrissen

Slide 2 - Tekstslide

Fotosynthese
Zonlicht
Koolstofdioxide
Glucose
Zuurstof
Water

Slide 3 - Sleepvraag

Waarom is fotosynthese zo belangrijk voor andere organismen?
A
Door de fotosynthese wordt zuurstof verbruikt.
B
Door de fotosynthese komt er nieuwe energie vrij.
C
Door de fotosynthese komt er telkens nieuw voedsel op aarde.
D
Door fotosynthese wordt CO2 gemaakt

Slide 4 - Quizvraag

Welke stof ontstaat of welke stoffen ontstaan bij de fotosynthese?
A
Bij de fotosynthese ontstaat alleen glucose.
B
Bij de fotosynthese ontstaan glucose en koolstofdioxide.
C
Bij de fotosynthese ontstaan glucose en zuurstof.
D
Bij de fotosynthese ontstaan water, koolstofdioxide en glucose.

Slide 5 - Quizvraag

Welke plant doet er niet aan fotosynthese?
A
Gras
B
Algen
C
Mos
D
Alle antwoorden doen aan fotosynthese

Slide 6 - Quizvraag

Bij fotosynthese ontstaat er ....
A
koolstofdioxide
B
verbranding
C
zuurstof
D
water

Slide 7 - Quizvraag

Wat is noodzakelijk voor fotosynthese?
A
lucht
B
warmte
C
licht
D
glucose

Slide 8 - Quizvraag

fotosynthese vooral 's nachts plaats
A
juist
B
onjuist

Slide 9 - Quizvraag

Fotosynthese vindt plaats in...
A
de bladgroenkorrels
B
cytoplasma
C
celkern
D
celmembraan

Slide 10 - Quizvraag

leerdoelen B2
Je kunt het verband uitleggen tussen verbranding in cellen en lichamelijke activiteit.
Je weet dat bij verbranding zuurstof wordt verbruikt en koolstofdioxide ontstaat.
Je kunt het verschil in verbranding bij koudbloedige en warmbloedige dieren beschrijven.

Slide 11 - Tekstslide

Verbranding (1)
Een auto rijdt op benzine, gas of diesel. 
Dat zijn de brandstoffen die de motor verbrandt.
Er ontstaat bij de verbranding energie waardoor de auto in beweging komt. 

De motor van de auto wordt warm, de energie zorgt dus ook voor warmte. 
Uit de uitlaat van de auto komen uitlaatgassen, de verbrandingsproducten.

Slide 12 - Tekstslide

Verbranding (2)
Een kaars is gemaakt van kaarsvet, dat is een brandstof. Als de kaars brandt, verdwijnt het kaarsvet. Bij de verbranding komt energie vrij in de vorm van licht en warmte.

Voor de verbranding is zuurstof nodig en komt water en koolstofdioxide (kooldioxide of koolzuurgas) vrij. 
Beide zijn gassen zitten in de lucht, je kunt ze niet zien of ruiken.

Slide 13 - Tekstslide

Verbranding (3)
Zonder verbranding gaat een cel dood. 
Bij de verbranding in een cel is zuurstof en brandstof nodig. 
De brandstof die vooral gebruikt wordt is glucose. 
Glucose krijg je binnen door voedsel te eten. 
Het bloed vervoert de zuurstof en de glucose naar al je cellen. 
Bij het verbrandingsproces ontstaan verbrandingsproducten: koolstofdioxide en water en komt ook energie vrij. 
Door die energie kunnen alle organen in je lichaam werken en blijft je lichaam op de juiste temperatuur.
Reactieschema van het verbrandingsproces:
 
Glucose      +    zuurstof    -->    water    +    koolstofdioxide   +   energie
(brandstof)                                  (verbrandingsproducten)           (bewegen - handhaven lichaamstemperatuur)
                                                                                                                 
Ook de processen in je cellen vragen energie
In elke cel van je lichaam, op elk moment!

Slide 14 - Tekstslide

Verbranding in een lichaamscel: 
In welke afbeelding zie je verbrandingsproducten?
Verbrandingsproduct
Verbrandingsproduct

Slide 15 - Sleepvraag

Verbrandingsreactie van verbranding in elke cel van het lichaam:


.......1........ + zuurstof ==> ……………2………….. + …………3…….……….. + …………4…………
(verbrandingsproducten)

A
1: water 4: energie
B
1: koolstofdioxide 4: water
C
1: glucose 4: energie
D
1: glucose 2: water

Slide 16 - Quizvraag

Lichamelijke inspanning
Voor lichamelijke inspanning heb je energie nodig. Hoe meer je beweegt hoe meer energie nodig is. Je spiercellen werken dan bijvoorbeeld harder, ze hebben extra glucose en zuurstof nodig. 

Je gaat daarom meer eten en je ademt sneller. Je organen werken harder om al je cellen te voorzien van zuurstof en brandstof. Je hart klopt sneller, je bloed stroomt sneller en je krijgt het warmer.  

Slide 17 - Tekstslide

Wat is nu de formule van verbranding?

Slide 18 - Open vraag

Slide 19 - Tekstslide

Wanneer noemen wij een dier koudbloedig?

Slide 20 - Open vraag

Slide 21 - Tekstslide

Warmbloedig
  • Lichaamstemperatuur constant

  • Zoogdieren
  • Vogels

  • Mogen niet teveel afkoelen of opwarmen 

Slide 22 - Tekstslide

Hierna volgen 2 vragen
Opdracht 1: Noem een voorbeeld van een koudbloedig dier
Opdracht 2: Noem een voorbeeld van een warmbloedig dier

Slide 23 - Tekstslide

Koudbloedig dier

Slide 24 - Woordweb

Warmbloedig dier

Slide 25 - Woordweb

Er moet nog wat gebeuren..

  • opdrachten maken

Slide 26 - Tekstslide

leerdoelen B2
Je kunt het verband uitleggen tussen verbranding in cellen en lichamelijke activiteit.
Je weet dat bij verbranding zuurstof wordt verbruikt en koolstofdioxide ontstaat.
Je kunt het verschil in verbranding bij koudbloedige en warmbloedige dieren beschrijven.

Slide 27 - Tekstslide