Thema 6: Farmacologie en dringende medische hulpverlening Hoofdstuk 3: geneesmiddelen bij cardiovasculair stelsel

Thema 6: Farmacologie en dringende medische hulpverlening

Hoofdstuk 3: geneesmiddelen bij cardiovasculair stelsel

07/09/2026

Sofie Jaspaert

1 / 47
volgende
Slide 1: Slide
newEditorVerpleegkundeHoger onderwijsStudiejaar 3

In deze les zitten 47 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 100 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Thema 6: Farmacologie en dringende medische hulpverlening

Hoofdstuk 3: geneesmiddelen bij cardiovasculair stelsel

07/09/2026

Sofie Jaspaert

Deze slide heeft geen instructies

Herhaling

Vorige les leerden we:


  • Hoe een geneesmiddel in het lichaam komt

  • Hoe het werkt op het lichaam

  • Geneesmiddelen bij het zenuwstelsel (sympaticus & parasympaticus)


Vandaag leren we:

Welke medicijnen werken op het hart en bloedvatenstelsel

Deze slide heeft geen instructies

Welke ziekte hoort bij het hart?

1

Angina pectoris

2

Diabetes

3

Astma

Angina Pectoris

Belangrijk

Veel zorgvragers hebben meer dan één ziekte.

Daarom krijgen ze vaak:

  • Meerdere medicijnen om tot een optimale therapie te komen


!!! Belangrijk: medicijnen kunnen elkaar beïnvloeden.


Waarom kan dat gevaarlijk zijn?

Deze slide heeft geen instructies

3.1 Zorgvragers met perfusiestoornissen

Perfusie =

doorbloeding

Voorbeelden:

  • Angina Pectoris

  • Myocardinfarct

  • Angor

Medicatiegroepen:

  • Bètablokkers

  • Nitraten

  • Trombolytica

  • Anti-aggregantia

  • Cholesterolverlagers

Angina pectoris is de medische term voor hartkramp. Het is letterlijk vertaald uit het Latijn: "beklemming van de borst".

Het is geen ziekte op zich, maar een signaal dat de hartspier op dat moment te weinig zuurstofrijk bloed krijgt. Dit komt meestal door een vernauwing in de kransslagaders (de vaten die het hart zelf van bloed voorzien).

3.1.1 Bètablokkers

Bètablokker:

Maken het hart trager en minder krachtig, negatief inotroop en negatief chronotroop, zo minder O2 behoeft hart

Effect:

  • Hartslag daalt

  • Bloeddruk daalt

  • Hart gebruikt minder zuurstof

Gebruik:

  • Angina Pectoris

  • Hoge bloeddruk

  • Hartritmestoornissen

Negatief chrontroop (snelheid):

- Wat het doet: het verlaagt de hartslagfrequentie

- Hoe het werkt: remt de elektrische prikkels in de sinuusknoop

- Resultaat: hartslag daalt in rust en bij inspanning


Negatief inotroop (kracht):

- Wat het doet: het vermindert de kracht waarmee de hartspier samentrekt.

- Hoe het werkt: blokkeren de bètareceptoren ==> er stroomt minder calcium in de hartspiercellen. Calcium = brandstof om krachtig te kunnen samentrekken. Minder calcium = minder kracht.

- Resultaat: hart pomp minder hard. Bloeddruk daalt + belasting hart vermindert.


3.1.1 Bètablokkers

Voorbeelden:

  • Atenolol

  • Bisoprolol

Deze slide heeft geen instructies

3.1.2 Nitraten of anti-anginosa


Gebruik: bij pompfunctiestoornis (hartfalen), bij perfussiestoornis (angor)


Effect:

  • Bloedvaten worden wijder

  • Het hart moet minder werken, minder belast

Voorbeelden:

  • Nitroglycerine ==> Cedocard®, Coruno®

  • Pleisters ==> Minitran®

Deze slide heeft geen instructies

3.1.2 Nitraten of anti-anginosa

Bijwerkingen:

  • Lage bloeddruk

  • Duizeligheid

Aandachtspunten:

  • Zittend toedienen, geleidelijk rechtkomen

  • Effect opvolgen => hartinfarct uitsluiten

  • Pleisters ==> afwisselingsschema, pleistervrije methode inlassen: GEWENNING

Deze slide heeft geen instructies

Wat doet een bètablokker?

A

Hartslag versnellen

B

Hartslag vertragen

C

Bloedklonters oplossen

D

Vocht afdrijven

Deze slide heeft geen instructies

Een patiënt met agina pectoris krijgt een bètablokker. Waarom helpt deze medicatie het hart?

Het hart werkt trager en gebruikt minder zuurstof

3.1.3 Trombolytica of fibrinolytica

Tromblytica:

  • Hartinfarct

  • CVA

  • ...

Lossen klonters op en garanderen vrije doorgang van het bloedvat, hoe vlugger hoe beter effect.

Gebruik:

Deze slide heeft geen instructies

Waarom moet een patiënt zitten bij het innemen van een nitraat?

Deze slide heeft geen instructies

3.1.4 Antiaggregantia

Antiaggregantia:

  • Minder kans op bloedklonters

  • Beschermen tegen hartinfarct

Voorkomen (= preventie) dat bloedplaatjes samenklonteren

Effect:

Gebruik:

  • Na een hartinfarct

  • Bij risico op trombose

Deze slide heeft geen instructies

3.1.4 Antiaggregantia

Voorbeelden:

  • Asaflow®

  • Clopidogrel®

Deze slide heeft geen instructies

Een patiënt komt binnen met een hartinfarct. Waarom moet een trombolytica zeer snel toegediend worden?

Om zo snel mogelijk de blokkade in de coronairen op te lossen.

3.1.5 Cholesterolverlagers

Doel:

2 soorten cholesterol:

Cholesterol verlagen, cholesterol (<190 mg/dl) speelt een belangrijke rol bij ontstaan van hart- en vaatziekten.

  • LDL = Low Density Lipoprotein = slechte cholesterol

  • HDL = High Density Lipoprotein = goede cholesterol

Medicatie:

  • Statines, worden het best 's avonds ingenomen omdat de cholesterolsynthese vooral 's nachts doorgaat

  • vb Lipitor®, Crestor®; belangrijke nevenwerking = spieraantasting / myalgiën

  • Gezonde levensstijl eerste stap, ook natuurlijke alternatieven die gekend werkzaam zijn.

Deze slide heeft geen instructies

Anti-aggregantia lossen bestaande klonters op

1

Waar

2

Niet waar

Niet waar

Ze voorkomen nieuwe klonters

Waarom neem je statines best 's avonds in?

De korte reden: De aanmaak van cholesterol door je lever vindt voornamelijk 's nachts plaats terwijl je slaapt.

3.2 Zorgvragers met pompfunctiestoornissen

Hartfalen = hartdecompensatie

Behandeling (eventueel in combinatie):



Het hart pompt niet genoeg bloed rond.

  • Diuretica

  • ACE- remmers

  • Sartanen

  • Bètablokkers

  • Digitalis

  • Tweede keuze therapie: nitraten of digitalismedicatie

  • Niet-medicamanteuze behandeling: zout- en vochtbeperking, zout trekt vocht aan waardoor groter volume en hypertensie, niet goed voor reeds belaste hart

Deze slide heeft geen instructies

3.2.1 Diuretica

Diuretica:

Effect:

Zorgen voor meer urine

  • Minder vocht en natrium in het lichaam

  • Minder belasting voor het hart

  • Bloeddruk verlaagt

Gebruik:

  • Hartdecompensatie

  • Oedemen (onderste ledematen en longoedeem)

  • Hypertensie

1. Hartdecompensatie (Hartfalen)

Bij hartfalen is de pompkracht van het hart verminderd (weet je nog: negatief inotroop?). Hierdoor stagneert het bloed, waardoor de druk in de vaten oploopt en vocht uit de vaten in de weefsels wordt gedrukt.

Het probleem: Het hart is overbelast omdat het een te groot volume aan bloed moet rondpompen.

De oplossing: Diuretica verminderen het totale bloedvolume. Minder bloed in de vaten betekent dat het zwakke hart minder hard hoeft te werken om de boel rond te krijgen. Het "ontlast" de motor.


2. Oedeem (Vochtophoping)

Oedeem is het directe gevolg van te veel vocht dat vanuit de bloedbaan naar de omliggende weefsels lekt (vaak te zien aan dikke enkels of vocht in de longen).

Het probleem: Er zit te veel water in de weefsels.

De oplossing: Door de nieren meer zout (natrium) uit te laten scheiden, "trekt" dat zout via osmose extra water mee uit het bloed naar de blaas. Hierdoor ontstaat er een aanzuigende werking: het vocht uit de gezwollen weefsels stroomt terug de bloedbaan in om het tekort daar aan te vullen, en wordt vervolgens uitgeplast. Het oedeem slinkt.


3. Hypertensie (Hoge bloeddruk)

Stel je de bloedvaten voor als een tuinslang. Als er te veel water in de slang zit, staat er een enorme spanning op de wanden.

Het probleem: De druk op de vaatwanden is chronisch te hoog, wat schade veroorzaakt.

De oplossing: Door het volume van het bloed te verlagen (minder vocht), daalt de druk direct. Bovendien zorgen sommige diuretica (zoals thiaziden) ervoor dat de bloedvaten zelf iets meer ontspannen, wat de weerstand en dus de bloeddruk verder verlaagt.

3.2.1 Diuretica

Voorbeelden:

  • Lasix®

  • Spironolactone

1

3.2.1 Diuretica

Soorten:

  • Kalium verliezend = hebben een sterk diuretisch effect:

    • Thiaziden: verminderen de heropname van natrium uit de voorurine, daardoor blijft er meer natrium en dus ook water in de urine. vb Fludex®

    • Lisduretica: verminderen de heropname van natrium ter hoogte van de lis van Henle, met als gevolg meer urine. vb Lasix®, Burinex®

  • Kalium sparend:

    • Veel zwakker diuretisch effect, maar wel kaliumsparend vb Aldactone®

==> vaak wordt gekozen voor een combinatie met doel voldoende diuretisch effect en geen te groot verlies aan kalium

==> tekort of teveel aan kalium zorgt voor aritmieën

Kaliumverliezend:

Sterk diuretisch effect ==> groot verlies van elektrolyten.


Kalium sparend:

Veel zwakker diuretisch effect maar wel kaliumssparend.


Om precies te zijn, bevindt de voorurine zich in het kapsel van Bowman en de daaropvolgende nierbuisjes (tubuli).

Het nefron is de functionele eenheid van de nier (je hebt er ongeveer een miljoen per nier), en de vorming van voorurine is een proces dat stap voor stap verloopt

3.2.1 Diuretica

Verpleegkundige aandachtspunten:

Belangrijk om te controleren:


  • Observeren naar indicatie vb oedemen, ademhaling en saturatie bij longoedeem

  • Vochtbalans

  • Bloeddruk, opletten voor hypotensie door hypovolemie/ondervulling

  • Elektrolyten, ionogram dient regelmatig gecontroleerd worden

  • Risico op ritmestoornissen zowel bij hypo- als hyperkaliëmie

  • Inname beter 's morgens , wanneer de zorgvrager een blaassonde heeft is tijdstip minder belangrijk

Deze slide heeft geen instructies

Waarom is kalium belangrijk voor het hart?

Deze slide heeft geen instructies

Waarom geven we diuretica vooral 's morgens?

De reden hiervoor is heel praktisch en heeft alles te maken met de nachtrust en de kwaliteit van leven van de patiënt.


1. Voorkomen van nachtelijke toiletbezoeken (Nycturie)

Diuretica zorgen ervoor dat de nieren extra water en zout uitscheiden, waardoor de urineproductie flink toeneemt. Dit effect begint meestal binnen 1 tot 2 uur na inname en kan enkele uren aanhouden.

Inname 's morgens: De patiënt moet overdag vaker naar het toilet, wanneer hij of zij toch al wakker en mobiel is.

Inname 's avonds: De patiënt zou 's nachts meerdere keren wakker worden om naar het toilet te gaan. Dit verstoort de slaap aanzienlijk, wat weer slecht is voor het herstel (zeker bij hartpatiënten).


2. Veiligheid (Valpreventie)

Voor oudere patiënten is het 's nachts naar het toilet gaan een risico.

Als iemand slaperig en in het donker uit bed moet om naar het toilet te rennen (omdat diuretica voor een sterke aandrang zorgen), is de kans op vallen veel groter.

Daarnaast kunnen diuretica bij het opstaan een lichte daling van de bloeddruk veroorzaken (orthostatische hypotensie), waardoor men duizelig kan worden bij het uit bed stappen.


3. Monitoring

Wanneer de medicatie 's ochtends wordt ingenomen, kan de patiënt (of de zorg) gedurende de dag beter in de gaten houden of de medicatie goed werkt (neemt het oedeem af?) en of er geen bijwerkingen optreden, zoals extreme duizeligheid of uitdroging.

3.2.2 ACE- inhibitoren

Zie deel over hypertensie

Deze slide heeft geen instructies

3.2.3 Bètablokkers

Zie deel perfusiestoornissen

Deze slide heeft geen instructies

3.2.4 Digitalis medicatie, digoxines, cardiotonica

Digitalis:

Maakt de hartslag sterker, maar trager (positief inotroop en negatief chronotroop)

Risico:

Intoxicatie, heeft een smalle therapeutische breedte


Symptomen intoxicatie:

  • Misselijkheid, braken, diarree

  • Sufheid

  • Verminderde reflexen, spierverslapping

  • Hartritmestoornissen

  • Bradycardie

Positief inotroop

Negatief chronotroop


De "Winst" voor de patiënt

Door deze twee effecten wordt het hart een efficiëntere pomp:

Het hart krijgt meer tijd om vol te lopen (chronotroop effect).

Het hart perst het bloed er vervolgens met meer kracht uit (inotroop effect).

Dit is de reden waarom het zo nuttig kan zijn bij patiënten met hartfalen (die kracht tekortkomen) of boezemfibrilleren (waarbij het hart vaak veel te snel en onregelmatig slaat).

Een patiënt met digoxine heeft misselijkheid. Wat moet je controleren?

1. De Digoxine-spiegel (Bloedonderzoek)

Dit is de belangrijkste controle. Er moet bloed worden geprikt om de exacte concentratie digoxine te meten.

Is de waarde te hoog? Dan moet de dosering direct aangepast of gestaakt worden.


2. Elektrolyten: Met name Kalium

Zoals we eerder bespraken, zijn de nieren en mineralen cruciaal voor digoxine.

Kaliumgehalte: Een te laag kalium (hypokaliëmie) is gevaarlijk. Als er te weinig kalium in het bloed zit, wordt het hart extra gevoelig voor digoxine. Zelfs een "normale" dosis digoxine kan dan giftig worden.

Magnesium en Calcium: Ook afwijkingen in deze mineralen kunnen de giftigheid beïnvloeden.


3. De Nierfunctie (Creatinine en GFR)

Digoxine wordt door de nieren uit het lichaam verwijderd.

Controleer of de nierfunctie verslechterd is. Als de nieren minder goed werken (bijvoorbeeld door uitdroging of ouderdom), hoopt de digoxine zich op in het bloed, wat leidt tot vergiftiging.


4. Hartslag en Ritme (Pols en ECG)

Omdat digoxine negatief chronotroop is (de hartslag verlaagt), kan een te hoge dosis de hartslag gevaarlijk vertragen.

Pols meten: Is de hartslag lager dan 60 slagen per minuut (bradycardie)?

ECG: Om te kijken of er sprake is van specifieke ritmestoornissen of geleidingsvertragingen (het dromotrope effect).

3.3 Zorgvragers met ritme- en geleidingsstoornissen

Hartritmestoornissen:

Aritmie

Medicatie = stoffen die anti aritmisch werken:

  • Amiodarone vb Cordarone® bij een VK of flutter

  • Verapamil vb Isoptine® bij sinusale tachycardieën

  • Flecaïnide vb Xylocard® b

  • Soms een onderhoudsbehabdeling met bétablokkers

Deze slide heeft geen instructies

3.3 Zorgvragers met ritme- en geleidingsstoornissen

Andere behandeling:

  • Pacemaker

  • ICD

  • Cardioversie = terug naar een normaal ritme

Deze slide heeft geen instructies

3.4 Zorgvragers met hypertensie: anti- hypertensiva

Hypertensie =

Hoge bloeddruk

Bloeddruk bestaat uit:

  • Systolische druk: druk waarmee het hart bloed in de vaten pompt

  • Diastolische druk: druk op het moment dat het hart zich ontspant en zich weer vult

Bloeddrukregulatie:

  • Neurale regulatie, werkt op korte termijn

  • Hormonale regulatie: RAAS (renine-angiotensine-aldorestonsysteem) regelt bloeddruk en vochtbalans, werkt op lange termijn

Daarnaast zijn er tal van andere factoren die een invloed hebben op deze systemen

Deze slide heeft geen instructies

3.4 Zorgvragers met hypertensie: anti- hypertensiva

Neurale regulatie:

  • Sympatisch: fight or flight = bloeddruk verhogend

  • Parasympatisch: rest and digest = bloeddruk verlagend

  • Baroreceptoren geven info over de huidige bloeddruksituatie. Dit zijn receptoren in de wand van de aorta en de carotiden, deze info gaat naar de hersencentra. Deze receptoren zijn gevoelig voor de rekbaarheid van de vaatwand en worden gestimuleerd bij een verhoogde bloeddruk, ze sturen daarop een remmende info door naar de hogere centra (sympaticus en parasympaticus).



Deze slide heeft geen instructies

3.4 Zorgvragers met hypertensie: anti- hypertensiva

Hormonale regulatie: RAAS

  • Afname bloeddruk in de nieren stimuleert de nieren tot aanmmak van RENINE

  • RENINE = enzym die angiotensinogeen (lever) omzet naar angiotensine I

  • Angiotensine I ==> angiotensine II door Angiotensin Converting Enzym (ACE)


Deze slide heeft geen instructies

RAAS

Angiotensine II heeft verschillende werkingen die leiden tot een verhoging van de bloeddruk:

  • stimuleert sympathisch effect

  • meer terugresorptie in de nefronen van water en natrium naar de bloedbaan

  • stimuleert bijnier tot aanmaak van aldosteron, aldosteron ondersteunt de terugresorptie van water an natrium naar bloedbaan

  • zorgt voor vasoconstrictie van de bloedvaten

  • stimuleert aanmaak van ADH (antidiuretisch hormoon), zorgt eveneens voor meer terugresorptie van water in de bloedbaan

Dit alles leidt tot meer circulerend plasmavolume en een hogere bloeddruk, deze verhoogde bloeddruk wordt gevoeld in de nieren en hebben een terugkoppledne werking, de RENINE secretie zal afnemen.

Deze slide heeft geen instructies

3.4.1 Diuretica

Zie 3.2 pompfunctiestoornissen

Deze slide heeft geen instructies

3.4.2 Bètablokker

  • Negatief inotroop (kracht)

  • Negatief chronotroop (ritme)

= antihypersentief effect


Negatief chrontroop (snelheid):

- Wat het doet: het verlaagt de hartslagfrequentie

- Hoe het werkt: remt de elektrische prikkels in de sinuusknoop

- Resultaat: hartslag daalt in rust en bij inspanning


Negatief inotroop (kracht):

- Wat het doet: het vermindert de kracht waarmee de hartspier samentrekt.

- Hoe het werkt: blokkeren de bètareceptoren ==> er stroomt minder calcium in de hartspiercellen. Calcium = brandstof om krachtig te kunnen samentrekken. Minder calcium = minder kracht.

- Resultaat: hart pomp minder hard. Bloeddruk daalt + belasting hart vermindert.

3.4.3 Calciumantagonisten

Zorgen voor:

  • Dilatatie coronairen en arteriolen en zo een antihypertensief effect


Negatief chrontroop (snelheid):

- Wat het doet: het verlaagt de hartslagfrequentie

- Hoe het werkt: remt de elektrische prikkels in de sinuusknoop

- Resultaat: hartslag daalt in rust en bij inspanning


Negatief inotroop (kracht):

- Wat het doet: het vermindert de kracht waarmee de hartspier samentrekt.

- Hoe het werkt: blokkeren de bètareceptoren ==> er stroomt minder calcium in de hartspiercellen. Calcium = brandstof om krachtig te kunnen samentrekken. Minder calcium = minder kracht.

- Resultaat: hart pomp minder hard. Bloeddruk daalt + belasting hart vermindert.

3.4.4 ACE- inhibitoren

ACE- inhibitoren=


Verlagen de RR


Hoe werken ze?


  • Ze blokkeren het ACE- enzym

  • Daardoor ontstaat minder angiotensine II

  • Bloedvaten worden wijder

  • Bloeddruk daalt



Negatief chrontroop (snelheid):

- Wat het doet: het verlaagt de hartslagfrequentie

- Hoe het werkt: remt de elektrische prikkels in de sinuusknoop

- Resultaat: hartslag daalt in rust en bij inspanning


Negatief inotroop (kracht):

- Wat het doet: het vermindert de kracht waarmee de hartspier samentrekt.

- Hoe het werkt: blokkeren de bètareceptoren ==> er stroomt minder calcium in de hartspiercellen. Calcium = brandstof om krachtig te kunnen samentrekken. Minder calcium = minder kracht.

- Resultaat: hart pomp minder hard. Bloeddruk daalt + belasting hart vermindert.

3.4.4 ACE- inhibitoren

Gebruik:


  • Hypertensie

  • Hartfalen

  • in combinatie met diuretica goed effect op hartfalen



Negatief chrontroop (snelheid):

- Wat het doet: het verlaagt de hartslagfrequentie

- Hoe het werkt: remt de elektrische prikkels in de sinuusknoop

- Resultaat: hartslag daalt in rust en bij inspanning


Negatief inotroop (kracht):

- Wat het doet: het vermindert de kracht waarmee de hartspier samentrekt.

- Hoe het werkt: blokkeren de bètareceptoren ==> er stroomt minder calcium in de hartspiercellen. Calcium = brandstof om krachtig te kunnen samentrekken. Minder calcium = minder kracht.

- Resultaat: hart pomp minder hard. Bloeddruk daalt + belasting hart vermindert.

3.4.4 ACE- inhibitoren

Bijwerkingen:


  • Droge hoest

  • Hypotensie

  • Nierproblemen

  • Hyperkaliëmie

  • NOOIT bij zwangerschap



Negatief chrontroop (snelheid):

- Wat het doet: het verlaagt de hartslagfrequentie

- Hoe het werkt: remt de elektrische prikkels in de sinuusknoop

- Resultaat: hartslag daalt in rust en bij inspanning


Negatief inotroop (kracht):

- Wat het doet: het vermindert de kracht waarmee de hartspier samentrekt.

- Hoe het werkt: blokkeren de bètareceptoren ==> er stroomt minder calcium in de hartspiercellen. Calcium = brandstof om krachtig te kunnen samentrekken. Minder calcium = minder kracht.

- Resultaat: hart pomp minder hard. Bloeddruk daalt + belasting hart vermindert.

3.4.5 Sartanen

Sartanen:


  • Bloeddruk daalt

  • Minder hoestprikkels


Blokkeren angiotensine 2 receptor


Effect:



Negatief chrontroop (snelheid):

- Wat het doet: het verlaagt de hartslagfrequentie

- Hoe het werkt: remt de elektrische prikkels in de sinuusknoop

- Resultaat: hartslag daalt in rust en bij inspanning


Negatief inotroop (kracht):

- Wat het doet: het vermindert de kracht waarmee de hartspier samentrekt.

- Hoe het werkt: blokkeren de bètareceptoren ==> er stroomt minder calcium in de hartspiercellen. Calcium = brandstof om krachtig te kunnen samentrekken. Minder calcium = minder kracht.

- Resultaat: hart pomp minder hard. Bloeddruk daalt + belasting hart vermindert.

3.4.6 Combinatiepreparaten

  • Bétablokker + diureticum vb Co-bisoprolol®

  • Ace-inhibitor + diureticum vb Coversyl plus®

  • Sartaan + diureticum vb Cozaar plus®

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een typische bijwerking van ACE- inhibitoren?

Droge hoest

Patiënt met hoge bloeddruk krijgt Lisinopril®. Tot welke medicatiegroep behoort dit?

ACE- remmer

Wat was het moeilijkste dat je in dit hoofdstuk hebt gezien?

Deze slide heeft geen instructies