hst 6 paragraaf 3 en 4 "warmte transport en isoleren"

Hst 6.3 en 6.4 "warmtetransport en isoleren"
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 3

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Hst 6.3 en 6.4 "warmtetransport en isoleren"

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Je kunt beschrijven hoe warmtetransport door geleiding plaatsvindt.
  • Je kunt beschrijven hoe warmtetransport door stroming plaatsvindt.
  • Je kunt beschrijven hoe warmtetransport door straling plaatsvindt.
  • Je kunt beschrijven op welke drie manieren warmteverlies bij een huis ontstaat.
  • Je kunt uitleggen waardoor in een goed geïsoleerd huis minder verwarmd hoeft te worden.
  • Je kunt de werking van warmte-isolerende maatregelen uitleggen.

Slide 2 - Tekstslide

Vandaag
Herhaling van vorige lessen

Kort filmpje over warmtetransport
Uitleg over warmtetransport en isoleren

filmpje over isoleren
quizvragen
aan de slag
Huiswerk hst 6 paragraaf 3 en 4 af

Slide 3 - Tekstslide

Wat is het absolute nulpunt?
A
0 graden Celsius
B
-273 graden celsius
C
273 Kelvin
D
-273 Kelvin

Slide 4 - Quizvraag

Welke grootheid hoort bij Kelvin?
A
Lengte
B
Massa
C
Gewicht
D
Temperatuur

Slide 5 - Quizvraag

Hoeveel Kelvin is 100 graden Celsius
A
373
B
173
C
73
D
-273

Slide 6 - Quizvraag

Wat is het koudste ?
A
10 graden celsius
B
80 graden Fahrenheit
C
273 Kelvin

Slide 7 - Quizvraag

oefenen met omrekenen van graden Celsius naar Kelvin:
15 graden Celsius =
A
-258 K
B
15 K
C
288 K
D
268 K

Slide 8 - Quizvraag

oefenen met omrekenen van Kelvin naar graden Celsius:
47 K =
A
32 graden Celsius
B
320 graden Celsius
C
- 126 graden Celcius
D
-226 graden Celsius

Slide 9 - Quizvraag

Een lamp van 50 W brandt van 18.00 tot 21.30 uur. Bereken het energieverbruik.

P = 0,05 kW t = 3,5 h E = P x t
A
0,175 kW
B
0,175 h
C
0,175 kWh
D
0,175 hKw

Slide 10 - Quizvraag

Het symbool voor vermogen is ......
A
t
B
U
C
P
D
I

Slide 11 - Quizvraag

Wat betekent de afkorting E?
A
Energieverbruik
B
Vermogen
C
Elektriciteit
D
Tijd

Slide 12 - Quizvraag

Van welke factoren hangt het vermogen van een elektrisch apparaat af?
A
Stroomsterkte en tijd
B
Vermogen en spanning
C
Spanning en tijd
D
Spanning en stroomsterkte

Slide 13 - Quizvraag

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Video

Isolatie kan warmte binnen houden.
Of warmte buiten houden. 

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video

Isolatie
Buiten is het vaak kouder dan binnen. De warme lucht wil dus van binnen naar buiten. 

Als je je huis goed isoleert heb je dus minder warmteverlies.

Slide 23 - Tekstslide

Warmteverlies op een foto
Met behulp van een infrarood-camera kun je het warmteverlies van een huis laten zien.

Hoe dichter de kleur bij het rood komt op de rechter balk  hoe meer verlies.

Slide 24 - Tekstslide

Isolatie
Isolatiemateriaal bestaat uit kleine luchtzakjes. Lucht is een slechte warmtegeleider, en dus een goede isolator!

Slide 25 - Tekstslide

De kachel geeft vooral warmte af door...
A
Warmtestraling
B
Warmtestroming

Slide 26 - Quizvraag

Hoe kun je goed warmte isoleren?
A
Dubbele glazen in het raam
B
Metalen muren in je huis hebben
C
Buiten koken
D
Lucht tussen de muur

Slide 27 - Quizvraag

Waar zien we een voorbeeld van GELEIDING bij een pan met kokend water?
A
Vanaf het vuur naar de omgeving
B
In het water
C
In de steel van de pan

Slide 28 - Quizvraag

Warmteverlies door straling ga je tegen
A
Door het vasthouden van de warme lucht
B
Door te isoleren.
C
Door de warmte terug te kaatsen.
D
Door luchtstroming te verminderen.

Slide 29 - Quizvraag

Warmtestraling
A
Moet altijd door een tussenstof
B
Gaat niet door een tussenstof

Slide 30 - Quizvraag

aan de slag


Lezen en maken hst 6 paragraaf 3 en 4

Huiswerk hst 6 paragraaf 3 en 4

Slide 31 - Tekstslide