quiz h3 regenten en vorsten

Quiz

Hoofdstuk 1: regenten en vorsten
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 10 min

Onderdelen in deze les

Quiz

Hoofdstuk 1: regenten en vorsten

Slide 1 - Tekstslide

"De koning heeft alle macht"
Welk begrip hoort hierbij?
A
abolutionisme
B
nationalisme
C
feminisme
D
absolutisme

Slide 2 - Quizvraag

Gouden Eeuw was de
A
15e eeuw
B
16e eeuw
C
17e eeuw
D
18e eeuw

Slide 3 - Quizvraag

In de Gouden Eeuw waren de meeste Nederlanders
A
Lutheranen
B
Calvinisten
C
Rooms-katholieken
D
Anglicanen

Slide 4 - Quizvraag

Wat wordt er met het begrip Republiek bedoeld?

A
Naam van Nederland in de 16e t/m de 18e eeuw.
B
Staat zonder vorst zoals een koning of een keizer.
C
Ergens tegen in opstand komen.
D
Als burgers wetten maken en niet een vorst.

Slide 5 - Quizvraag

Wie hadden de meeste macht in de Nederlandse Republiek? (2 antwoorden goed)
A
De koning en zijn hofhouding
B
De regenten uit rijke families
C
De hardwerkende mannen en vrouwen
D
De Staten-Generaal

Slide 6 - Quizvraag

Waarom was de Nederlandse Republiek in de Gouden Eeuw bijzonder?
A
Het ging met de handel goed
B
We waren een Republiek
C
Er was godsdienstvrijheid
D
Alle antwoorden zijn goed

Slide 7 - Quizvraag

Wie had in de Republiek de functie van legerleider?
A
De stadhouder
B
De raadspensionaris

Slide 8 - Quizvraag

Wat was de raadspensionaris?
A
opperbevelhebber Staatse leger
B
hoofd van Staten-Generaal
C
benoemt regenten
D
bepaalt militair beleid

Slide 9 - Quizvraag

Wat betekent kapitalisme?
A
Geld geven aan een goed doel
B
Geld investeren
C
Geld investeren om winst te maken
D
Geldzaken

Slide 10 - Quizvraag

Waarom werd de Oostzeehandel 'moedernegotie genoemd'?
A
De VOC werd de vader negotie genoemd
B
Het gebied rondom de Oostzee lag het dichtstbij Nederland.
C
De Oostzeehandel leverde vooral graan graan.
D
Alle drie de antwoorden zijn goed.

Slide 11 - Quizvraag

De VOC verhandelde vooral
A
Slaven
B
Aardappels
C
Kruiden
D
Maïs

Slide 12 - Quizvraag

In welk jaar werd de VOC opgericht?
A
1601
B
1602
C
1701
D
1702

Slide 13 - Quizvraag

VOC staat voor
A
Vereniging Oost-Indische Compagnie
B
Verenigde Oost-Indie Compagnie
C
Verenigde Oost-Indische Compagnie
D
Verenigde Oost-Indische Campagne

Slide 14 - Quizvraag

Waar staat (WIC) voor?
A
Wereldwijde champagne
B
West-Indische Compagnie
C
Westindischecompagne
D
West Indische WC

Slide 15 - Quizvraag

De trans-Atlantische slavenhandel was onderdeel van de
A
VOC
B
Handelskapitalisme
C
Driehoekshandel
D
WIC

Slide 16 - Quizvraag

Welke producten verhandelde de WIC?
A
Slaven
B
Wijn
C
Specerijen
D
Graan

Slide 17 - Quizvraag

Wat is het grootste verschil tussen de VOC en de WIC?
A
De WIC deed aan slavenhandel
B
De VOC deed aan kaapvaart
C
De WIC ging richting het Oosten
D
De VOC werd later opgericht dan de WIC

Slide 18 - Quizvraag

Waarom werd 1672 het rampjaar genoemd?
A
De Republiek werd door drie landen aangevallen.
B
De Republiek verloor het WK-voetbal.
C
De Republiek kreeg te maken met grote overstromingen.
D
De Republiek moest enorm veel lenen.

Slide 19 - Quizvraag

Wat hield de tolerantie van de Republiek in?
A
Iedereen moest protestant worden.
B
Mensen mochten kiezen in welke religie ze wilden geloven. Het protestantisme bleef wel het belangrijkst.
C
Rijke en arme mensen waren welkom in de Republiek
D
Het maakte niks wat je geloofde.

Slide 20 - Quizvraag

Waarom was Holland het belangrijkste gewest?
A
Het grondgebied was het grootst.
B
Holland lag aan de kust.
C
Holland leverde het meeste geld op.
D
Holland was het eerste gewest wat in opstand kwam tegen de Spanjaarden

Slide 21 - Quizvraag

Hoe heette deze beroemde Nederlandse admiraal?
A
Piet Hein
B
Witte de Wit
C
Maarten harpertszoon Tromp
D
MIchiel de Ruyter

Slide 22 - Quizvraag

Hoeveel vertrouwen heb je in de geschiedenistoets?
A
100%
B
50%
C
0%

Slide 23 - Quizvraag