<b>Verwijst naar zelfstandig naamwoorden.</b><div><b>1e persoon ben jezelf-ik</b></div><div><b>2e persoon iem. met wie je praat</b></div><div><b>3e persoon iem. waarover je praat</b></div><div><b><br></b></div><div><br></div>
<b>Geeft bezit aan. Staat meestal meteen voor zelfst. nw.</b>
<b>Wijst naar iets. Kan alleen staan of meteen voor zelfst. nw.</b>
Persoonlijk vnw.
Bezittelijk vnw.
Aanwijzend vnw.
<b>Niet elk vraagwoord is een vragend voornaamwoord.</b>
Vragend vnw.
<b>Heeft betrekking op woord dat er vlak voor staat.</b>
Betrekkelijk vnw.
<b>Geeft iets vaags aan.</b>
Onbepaald vnw.
<b>Alleen het woordje 'elkaar'.</b>
Wederkerig vnw.
<b>Hoort bij het wederkerend werkwoord</b>
Wederkerend vnw.
Slide 2 - Tekstslide
Voornaamwoorden.
Waarvoor gebruik je ze?
Je gebruikt ze in plaats van zelfstandig naamwoorden.
Het woord 'voor' bij voornaamwoord betekent hier 'in plaats van',
Je verwijst met voornaamwoorden naar zelfst. nw. die eerder gebruikt zijn.
Je moet dat goed doen anders wordt de zin onbegrijpelijk.
Slide 3 - Tekstslide
-geeft bezit aan
-staat bijna altijd meteen voor zelfstandig naamwoord
-weet je het niet zeker?: vervang door MIJN
-heeft twee vormen
-als onderwerp
-als voorwerp (lv en mw.vw)
-wordt gebruikt in plaats van zelfstandig naamwoorden.
-weet je het niet zeker? Vervang het woord door je eigen naam.
Persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Slide 4 - Tekstslide
Er zijn er vier
Die-dit-dat-deze
Staan vaak meteen voor een zelfstandig naamwoord
Kunnen ook zelfstandig gebruikt worden bijvoorbeeld:
Voorbeeld: Geef dat eens aan!
Aanwijzend voornaamwoord
Slide 5 - Tekstslide
Vragend voornaamwoord
Er zijn er vier: Wie, Wat, Welke, Wat voor.
De vragend voornaamwoorden verwijzen altijd naar personen of dingen.(iemand of iets).
Vraagwoorden die dat niet doen, noemen we bijwoorden.