2. herhaalles inhoud en maatbeker, les 2

Inhoud en de maatbeker

1 / 30
volgende
Slide 1: Slide
newEditorWiskundePraktijkonderwijsLeerjaar 3

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Inhoud en de maatbeker

Deze herhaalles sluit aan op de werkbladen: inhoud herkennen, een maatbeker aflezen en de maten ml, cl, dl en l gebruiken.

Wat is inhoud?

Inhoud is hoeveel ergens in kan.


Bijvoorbeeld:

  • hoeveel water in een fles past

  • hoeveel sap in een beker zit

  • hoeveel soep in een pan kan

Gebruik concrete voorwerpen uit de klas als voorbeeld. Benadruk dat inhoud gaat over wat erin past, niet over hoe zwaar iets is.

Lesdoel

Ik kan de inhoud van iets bepalen, een maatbeker goed aflezen en de maten voor inhoud gebruiken.

Deze slide heeft geen instructies

Welke woorden ken je al over inhoud of een maatbeker?

Wat weet je nog van vorig keer.


  • Schrijf in stilte op je wisbordje

  • deel met elkaar

  • wissel uit met de klas

Gebruik de woorden uit de cloud als start: bijvoorbeeld water, fles, ml, liter, streepjes. Haak daarna terug aan het lesdoel.

Wat is inhoud?

Gebruik concrete voorwerpen uit de klas als voorbeeld. Benadruk dat inhoud gaat over wat erin past, niet over hoe zwaar iets is.

Inhoud in het dagelijks leven

Je gebruikt inhoud elke dag.


  • een pak melk

  • een fles drinken

  • een emmer water

  • een maatbeker in de keuken


Zo weet je hoeveel vloeistof ergens in zit of in past.

Deze slide heeft geen instructies

Inhoud gaat over ruimte

Bij inhoud kijk je naar de ruimte binnenin.


  • Een grote fles heeft vaak meer inhoud.

  • Een kleine beker heeft vaak minder inhoud.

  • De inhoud meet je met maten zoals ml en l.

Maak het verschil duidelijk tussen groot lijken en echt meer inhoud hebben. Laat eventueel twee verschillende verpakkingen zien.

Wat betekent inhoud?

A

hoeveel erin kan

B

hoe zwaar het is

C

hoe hoog het is

D

hoe lang het is

Controleert het kernbegrip uit slides 2-4. Veelgemaakte fout: inhoud verwarren met gewicht of grootte aan de buitenkant.

Wat is een maatbeker?

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een maatbeker?

Een maatbeker is een beker met streepjes en getallen.

Zo kun je zien hoeveel vloeistof erin zit.

Deze slide heeft geen instructies

De delen van een maatbeker

Op een maatbeker zie je:

  • getallen

  • streepjes

  • een onderkant bij 0

  • een vloeistofniveau


Het vloeistofniveau laat zien hoeveel erin zit.

Verwijs naar de werkbladen met maatbekers van 300 ml, 500 ml en 0,5 L. Benoem dat je steeds leest waar de vloeistoflijn staat.

Zo lees je een maatbeker af

Lees een maatbeker stap voor stap af:

  1. Kijk welke maat er staat: ml of l.

  2. Kijk naar de getallen.

  3. Kijk tussen welke getallen het niveau staat.

  4. Tel de streepjes.

  5. Schrijf het aantal op met de juiste maat.

Leg rustig uit dat leerlingen eerst naar de eenheid moeten kijken. Op de werkbladen komen zowel ml als l voor.

Voorbeeld: aflezen in ml

Staat de lijn precies op 300, dan zit er 300 ml in.


Staat de lijn halverwege 200 en 300, dan is dat 250 ml.


Je leest dus het getal af bij de hoogte van de vloeistof.

Gebruik dit als brug naar de afbeeldingen op het werkblad waar leerlingen meerkeuze-antwoorden zien zoals 260 ml, 360 ml of 780 ml.

Goed kijken naar de streepjes

Niet elke maatbeker heeft alleen grote getallen.


Soms zijn er kleine streepjes tussenin.

  • grote stap: bijvoorbeeld 100 ml

  • kleine stap: bijvoorbeeld 20 ml of 50 ml


Lees dus eerst hoeveel 1 stap is.

Veel fouten ontstaan doordat leerlingen meteen een getal gokken. Laat zien dat het verschil tussen twee getallen verdeeld is in gelijke stukjes.

Waar kijk je eerst naar op een maatbeker?

A

de kleur

B

de maat

C

de dop

D

de vorm

De maat is de eenheid: ml of l. Dit is stap 1 van het aflezen op slide 7.

Halverwege 200 en 300 ml is:

A

350 ml

B

150 ml

C

250 ml

D

300 ml

Gebaseerd op het voorbeeld op slide 8.

Welke maten gebruik je?

  • denk in stilte en schrijf op je wisbordje

  • deel met je buurman/vrouw

  • wissel uit met de klas

Deze slide heeft geen instructies

Welke maten gebruik je?

Voor inhoud gebruiken we vaak:

  • milliliter (ml)

  • centiliter (cl)

  • deciliter (dl)

  • liter (l)


Deze maten gebruik je vooral bij vloeistoffen.

Deze slide heeft geen instructies

Van klein naar groot

Schrijf de maten voor inhoud van klein naar groot:




Een klein beetje drinken schrijf je vaak in ml.

Houd het op volgorde en herkenning. Voor deze doelgroep is de basisvolgorde belangrijker dan formele omzetregels.

Van klein naar groot

De maten voor inhoud van klein naar groot:

ml → cl → dl → l


  • ml is een kleine maat

  • l is een grotere maat


Een klein beetje drinken schrijf je vaak in ml.

Houd het op volgorde en herkenning. Voor deze doelgroep is de basisvolgorde belangrijker dan formele omzetregels.

Belangrijke omzettingen

Deze omzettingen moet je kennen:

  • 1000 ml = 1 l

  • 500 ml = 0,5 l

  • 1 dl = 100 ml

  • 10 dl = 1 l


Zo kun je maten met elkaar vergelijken.

Deze waarden sluiten aan op het werkblad, waar zowel 10 dl als 0,5 L voorkomen.

Voorbeelden van inhoudsmaten

Voorbeelden:

  • een klein pakje drinken: vaak in ml

  • een fles frisdrank: vaak in l

  • een maatbeker: vaak met ml en soms ook l


Kijk altijd welke maat erbij staat.

Deze slide heeft geen instructies

Tekenen in een maatbeker

Soms moet je een inhoud tekenen.


Dan doe je dit:

  1. Kijk naar het gevraagde aantal ml of l.

  2. Zoek dat punt op de maatbeker.

  3. Trek daar een rechte lijn.


Bijvoorbeeld: 200 ml, 340 ml of 0,5 l.

Verwijs naar het werkblad waarop leerlingen met een liniaal een lijn moeten tekenen bij verschillende hoeveelheden.

Samenvatting

  • Inhoud is hoeveel ergens in kan.

  • Een maatbeker lees je af met getallen en streepjes.

  • Let goed op de eenheid: ml, cl, dl of l.

  • 1000 ml = 1 l.

  • Je kunt inhoud aflezen en tekenen.

Gebruik deze slide als korte afronding voordat leerlingen met de werkbladen verder oefenen.

Welke volgorde is goed van klein naar groot?

A

l, dl, cl, ml

B

cl, ml, l, dl

C

ml, cl, dl, l

D

dl, cl, ml, l

Toetst de volgorde uit slide 11.

Opdrachten

  1. Maak de werkbladen "Maatbekers aflezen en intekenen".

  2. Kies een werkblad wat je zelf wil oefenen ( +/- of x/: of breuken)

  3. activiteit naar keuze ( kleurplaat, stripboek, laptop zonder geluid, spelletje (als iedereen klaar is)

Deze slide heeft geen instructies

20

minute

00

second

Deze slide heeft geen instructies

Wat heb jij vandaag geleerd?

Laat leerlingen in eigen woorden noemen wat ze onthouden, bijvoorbeeld: inhoud is hoeveel ergens in kan; maatbeker aflezen; ml en l herkennen; 1000 ml = 1 l.

Wat vond jij het moeilijkst?

Mogelijke antwoorden: streepjes tellen, eerst naar ml of l kijken, voorbeelden op het werkblad, samen oefenen.

Woordenlijst

inhoud - hoeveel ergens in kan

maatbeker - beker met streepjes en getallen om inhoud te meten

vloeistofniveau - de hoogte van de vloeistof in de maatbeker

milliliter (ml) - kleine maat voor inhoud

centiliter (cl) - maat voor inhoud

deciliter (dl) - maat voor inhoud

liter (l) - grotere maat voor inhoud

Deze slide heeft geen instructies