Temperatuur verschillen

1 / 29
volgende
Slide 1: Video
AardrijkskundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 6 videos.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Video

Temperatuur verschillen op aarde
In het Youtube filmpje heb je gezien dat er op de aarde temperatuurverschillen zijn. In deze paragraaf ga je leren  hoe deze verschillen  ontstaan!

Slide 2 - Tekstslide

Wat leer je deze les?
  • Aan het einde van de les zijn de leerlingen in staat om aan te geven hoe het aardoppervlak wordt verwarmt.
  • Aan het einde van de les zijn de leerlingen in staat om de wetmatigheid van hoe hoger des te kouder te verklaren met grades.
  • Aan het einde van de les zijn de leerlingen in staat om minimaal drie factoren te benoemen die de temperatuur op aarde laten verschillen.
  • Aan het einde van de les zijn de leerlingen in staat om te verklaren waarom de zonnestralen op de evenaar meer warmte geven dan op hogere breedtes.

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

Weer
In het weerbericht probeert men te voorspellen wat de hoogste temperatuur overdag en de laagste temperatuur 's nachts zal zijn.
Elke dag worden deze maximumtemperatuur en minimumtemperatuur ook gemeten.

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

De atmosfeer
Dat de aarde op veel plaatsen een temperatuur heeft die geschikt is om er te leven, danken we aan de verwarming van de zon en aan de luchtlaag om de aarde, de atmosfeer. Het aardoppervlak wordt direct verwarmd door de zon. De atmosfeer wordt indirect verwarmd door de zon.



Slide 9 - Tekstslide

Temperatuurfactoren
Drie factoren hebben grote invloed op de temperatuur. Dat zijn temperatuurfactoren.
  1. Breedteligging: 'hoe verder van de evenaar, hoe kouder'.
  2. Hoogteligging: 'hoe hoger, hoe kouder'.
  3. Land- zeeverdeling: 'hoe verder van zee, hoe warmer in de      zomer en hoe kouder in de winter'. (differentiatie)

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Breedteligging
  • Op hoge breedte, dus in de poolstreken, is het koud
  • Op lage breedte, dus in de tropen, is het warm
  • Hoe schuiner de invallende zonnestraal, hoe groter het oppervlak dat wordt verwarmd. Des te kouder het wordt.

Slide 12 - Tekstslide

In welke situatie wordt een groter oppervlakte verwarmd en is de invalshoek groot of klein?
A
A - klein
B
A - groot
C
B - klein
D
B - groot

Slide 13 - Quizvraag

Slide 14 - Tekstslide

Welke drie redenen kan je geven dat de afbeelding een voorbeeld is van een plaats dichtbij de evenaar.
A
- Grote invalshoek - Kleine schaduw - Klein oppervlak wordt verwarmd
B
- Kleine invalshoek - Kleine schaduw - Klein oppervlak wordt verwarmd
C
- Kleine invalshoek - Grote schaduw - Klein oppervlak wordt verwarmd
D
- Kleine invalshoek - Kleine schaduw - Groot oppervlak wordt verwarmd

Slide 15 - Quizvraag

Hoogteligging
Je zou denken: boven op een bergtop zit je dichter bij de zon; dus op de top is het warmer. FOUT!
  • De zon verwarmt het aardoppervlak. De dampkring wordt dus van onderaf verwarmt.
  • Hoe hoger je komt, hoe kouder het wordt. (iedere 100 meter die je een berg op klimt, wordt het 0,6°C  kouder)

Slide 16 - Tekstslide

Waarom wordt het steeds kouder naarmate je hoger in de atmosfeer komt?

Slide 17 - Open vraag

Slide 18 - Video

Klimaatgrafieken
Klimaatgrafieken zijn grafieken, waarvan je het gemiddelde weer in een jaar van een land of werelddeel kan aflezen.
  • De rode lijn geeft de temperatuur aan.
  • De blauwe staven geven de hoeveelheid neerslag aan.

Slide 19 - Tekstslide

Uitleg klimaatgrafiek

Slide 20 - Tekstslide

Klimaatgrafieken
  • In grafiek B is er geen verschil tussen zomer en winter
  • Plaatsen A en C liggen op hoge breedte
  • Bij een bergparabool (A) ligt de plaats op het noordelijk halfrond.
  • Bij een dalparabool (C) ligt de plaats op het zuidelijk halfrond.

Slide 21 - Tekstslide

Van welk gebied op aarde is deze klimaatgrafiek?
A
Himalayagebergte
B
De Noordpool
C
De Alpen
D
De Zuidpool

Slide 22 - Quizvraag

Welke beschrijving past bij de Klimaatgrafiek?
A
temp: altijd boven de 18 graden. neerslag: meer dan 2000mm regen per jaar.
B
temp: altijd boven de 18 graden. neerslag: regenseizoen.
C
temp: altijd boven de 18 graden. neerslag: 3 maanden per jaar regen.
D
temp: altijd boven de 18 graden. neerslag: bijna geen regen (droog).

Slide 23 - Quizvraag

Slide 24 - Video

In welke laag van de atmosfeer komt het weer voor?
A
Troposfeer
B
Stratosfeer
C
Mesosfeer
D
Exosfeer

Slide 25 - Quizvraag

Temperatuur boven land en boven zee
  • Land wordt warmer dan water, maar ook kouder.
  • Land wordt sneller warm en sneller koud dan water.
  1. Boven zee zal de luchttemperatuur nooit erg hoog en ook nooit erg laag zijn. De zee heeft dan ook een matige invloed op de temperatuur.
  2. Boven land kan de lucht erg warm  maar ook erg koud worden. De temperatuur kan ook heel snel wisselen.

Slide 26 - Tekstslide

Aanlandige en aflandige wind
De windrichting heeft veel invloed op de
temperatuur!
  • winter: noordoostenwind brengt vorst
  • winter: zuidwestenwind brengt dooi
  •  zomer: oostenwind zorgt voor warmte
  • zomer: westenwind zorgt voor afkoeling
Bij een aanlandige wind (zeewind): in de zomer minder warm (verkoeling) en in de winter minder koud (dooi)
Bij een aflandige wind (landwind): in de zomer warmer en in de winter kouder (vorst)

Slide 27 - Tekstslide

Zeestromen
  • Zeestromen kunnen warm zeewater uit de tropen naar de poolstreken voeren.
  • Zeestromen kunnen ook koud poolwater naar warme streken brengen.
  • Een zeestroom heeft invloed op de temperatuur op het land.

Slide 28 - Tekstslide

Ligging van gebergte
  • Loefzijde: de windkant van een gebergte (hier wordt de lucht omhooggestuwd, koelt af en brengt regen).
  • Stuwingsregen: regen die ontstaat door stijgende lucht tegen een gebergte.
  • Lijzijde: de kant van de berg, die uit de wind ligt (hier daalt de lucht en wordt warmer).
  • Regenschaduw: het gebied achter de berg waar weinig of geen neerslag valt.

Slide 29 - Tekstslide