De Helderse Vallei - les Strand en kust 2

1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Doelen - Je kunt: 
  • woorden herkennen en gebruiken:
de vogel – de snavel -  het zand – water – zoet – zout - het voedsel
  • een zin met de woorden maken: 
zin: Het zeewater is zout. 
zin: De vogel heeft een lange snavel. 
  • verschil 
Het water is zoet / zout.
De vogel is dood/ levend. 

begrijpen:

dood = niet levend

levend = niet dood

Slide 2 - Tekstslide

Activiteiten(woensdag)
  • vogelsnavels en de vogel benoemen
  • voedsel van de vogels
  • zand zeven en spullen van het strand bekijken
  • zoutgehalte meten in zout en in zoet water




Slide 3 - Tekstslide



  • de vogel
  • de snavel
  •  zout en zoet water
  •  het voedsel
  • het zand
  • het voedsel
  • het water 



  • de krab
  • het aquarium
  •  het zeewier
  • de garnaal
  • de schelp
  •  de opgezette vogel
  • de vloedlijn
Woorden

Slide 4 - Tekstslide

de vogel - de vogels
  • dier met vleugels, twee poten en snavel dat kan vliegen
  • zin: De vogel vliegt in de lucht.

Slide 5 - Tekstslide

de snavel - de snavels
  • de mond van een vogel
  • zin: Waarom hebben vogels verschillende snavels

Slide 6 - Tekstslide

Waarom hebben vogels verschillende snavels?

kort filmpje 1.40 min.



lang filmpje 5 min.

Slide 7 - Tekstslide

het voedsel
  • het eten
  • zin: Wat is het voedsel van vogels?

Slide 8 - Tekstslide

het zand
  • kleine steentjes op de grond 
  • zin: De kinderen spelen met zand.


Slide 9 - Tekstslide

het water 
  • wat je drinkt = drinkwater
  • wat in de zee is = zeewater
  • zin: Het drinkwater is zoet. 
  • zin: Het zeewater is zout. 

Slide 10 - Tekstslide

 zout en zoet 
  • zout = het smaakt als zout
  • zoet = het smaakt als suiker
  • zin: Het snoepje is zoet.
  • zin: Het eten is zout




Slide 11 - Tekstslide

Van zout water naar zoet water

filmpje 4.21 min.


Slide 12 - Tekstslide

de opgezette vogel
  • De vogel is dood, maar hij lijkt levend.
  • zin: De opgezette vogel is dood.

Slide 13 - Tekstslide


Hoe wordt een vogel opgezet?

 filmpje 3.18 min.

Slide 14 - Tekstslide

*de vloedlijn 
  • De strook op het strand tot waar het water komt (eb en vloed).
  • zin: We wandelden een uur langs de vloedlijn.



Slide 15 - Tekstslide

Wat is eb en vloed?

filmpje 1.53 min.




Slide 16 - Tekstslide

*de krab - de krabben
  •  in zee levend schaaldier met hard schild en tien harde poten
  • zin: Op het strand zag ik een krab weglopen.


Slide 17 - Tekstslide

*het aquarium
  •  glazen bak met water waarin waterdieren leven
  • zin: In zijn aquarium zwemmen veel vissen.

Slide 18 - Tekstslide


*het zeewier
  •  algen die in zee leven
  • zin: Zeewier wordt soms verwerkt in gerechten.

Slide 19 - Tekstslide

*de garnaal - de garnalen
  •  klein roze schelpdiertje dat in zee leeft
  • zin: Deze garnalen moeten nog gepeld worden.

Slide 20 - Tekstslide

*de schelp - de schelpen
  • beschermend omhulsel van kalk, waar een weekdier in leeft
  • zin: Op het strand liggen veel schelpen.


Slide 21 - Tekstslide

twee ...

Slide 22 - Open vraag

Wat zie je hier?
A
het gedicht
B
het gezicht
C
het potje
D
het slot

Slide 23 - Quizvraag

De vogel zoekt .......

Slide 24 - Open vraag

de mond van een vogel
A
de snavel
B
de snaavel
C
de navel
D
de snafel

Slide 25 - Quizvraag

Kleine steentjes op de grond =

Slide 26 - Open vraag

De vogel eet met zijn ......

Slide 27 - Open vraag

Drinkwater is ...
A
zuur.
B
zout.
C
zoet.
D
bitter.

Slide 28 - Quizvraag

Zeewater is ...
A
zuur.
B
zout.
C
zoet.
D
bitter.

Slide 29 - Quizvraag

* De strook op het strand tot waar het water komt.
A
de schelpen
B
het zeewater
C
het drinkwater
D
de vloedlijn

Slide 30 - Quizvraag

* Hoe heet dit dier?
A
de krap
B
de kraab
C
de krab
D
de knap

Slide 31 - Quizvraag

* Schrijf een zin met het woord
'het aquarium'.

Slide 32 - Open vraag

*Wat is dit?
A
de vis
B
het zeewier
C
de schelp
D
het zand

Slide 33 - Quizvraag

*Wat voor dieren zijn dit?
(lidwoord + woord in het meervoud)

Slide 34 - Open vraag

* Op het strand liggen veel ...
A
schelpen.
B
shelpen.
C
schelppen.
D
schalpen.

Slide 35 - Quizvraag