- woorden herkennen en gebruiken:
de vogel – de snavel - het zand – water – zoet – zout - het voedsel
- een zin met de woorden maken:
zin: Het zeewater is zout.
zin: De vogel heeft een lange snavel.
Het water is zoet / zout.
De vogel is dood/ levend.
begrijpen:
dood = niet levend
levend = niet dood