Theorie - leerjaar 1 en 2 (en 3)


Nederlands
Begrijpend lezen

Theorie 
Leerjaar 1 en 2 (en 3

V3
 P3 2019-2020
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les


Nederlands
Begrijpend lezen

Theorie 
Leerjaar 1 en 2 (en 3

V3
 P3 2019-2020

Slide 1 - Tekstslide

Tekstdoelen
Informeren: je komt iets nieuws te weten.
Uitleg geven: je krijgt uitleg over hoe iets werkt of in elkaar zit
Overtuigen: je wordt overtuigd dat iemands mening de juiste is.
Overhalen: je wordt aangespoord iets te doen of te kopen.
Mening vormen: je ziet verschillende kanten van een onderwerp en kunt daarover nadenken en je mening vormen
Vermaken: je wordt vermaakt door een verhaal 

Slide 2 - Tekstslide

Tekstdoelen en tekstsoorten
Tekstdoel               Tekstsoort

informeren            informerende tekst
uitleg geven         uiteenzettende tekst
mening vormen  beschouwende tekst
overtuigen            betogende tekst
overhalen              activerende tekst
amuseren              amuserende tekst

Slide 3 - Tekstslide

Tekstsoorten en tekstvormen

Informerende tekst: nieuwsbericht, notulen, werkstuk, encyclopedietekst
Uiteenzettende tekst: schoolboektekst, handleiding, instructie, recept
Beschouwende tekst: column, ingezonden brief, weblog
Betogende tekst: recensie, column, weblog, ingezonden brief
Activerende tekst: reclame, advertentie, sollicitatiebrief
Amuserende tekst: gedicht, verhaal, roman, songtekst

Slide 4 - Tekstslide


Alles in 1 overzicht


Tekstdoelen
Tekstsoorten
Tekstvormen

Slide 5 - Tekstslide

3 soorten publiek
Breed publiek (alle leerlingen van het ATC)
Het publiek weet nog niets/bijna niets over het onderwerp.

Kleiner, gespecialiseerd publiek (brugklasleerlingen van het ATC)
Het publiek weet al iets over het onderwerp.

Een persoon, een kleine groep personen (de mentoren van H1A van het ATC) Het publiek weet al wat meer/veel over het onderwerp.

Slide 6 - Tekstslide

Oriënterend lezen
Wanneer? 
Als je snel wilt weten wat het tekstdoel van een tekst is en over welk onderwerp een tekst gaat. 

Wat doe je als je oriënterend leest?
  • Je bekijkt de titel, de tussenkopjes en de bronvermelding.
  • Je leest de eerste zinnen en de laatste zinnen.
  • Je bekijkt de anders gedrukte woorden en eventuele afbeeldingen.

Slide 7 - Tekstslide

Onderwerp en deelonderwerp
Onderwerp
In één of een paar woorden waar de hele tekst over gaat.
Onderwerp: Texel

Deelonderwerp
Een onderwerp bestaat uit verschillende deelonderwerpen
In één of een paar woorden waar een alinea over gaat.
Deelonderwerpen: sportmiddag, vogels kijken, bonte avond, Ecomare



.

Slide 8 - Tekstslide

Alinea en tussenkopje
Alinea
Een deel van de tekst met een eigen deelonderwerp. Een stukje van de tekst over een deelonderwerp.
Alinea's worden van elkaar onderscheiden door witregels, door op een nieuwe regel verder te gaan, door de tekst in te laten springen.

Tussenkopje
De titel van een alinea.

Slide 9 - Tekstslide

3 delen van een tekst
Een tekst bestaat uit 3 delen:

  • Inleiding
  • Middenstuk/kern
  • Slot

Slide 10 - Tekstslide

Teksten inleiden
Een schrijver kan zijn tekst op verschillende manieren inleiden. Soms kiest hij voor een combinatie. 

  • Het onderwerp aankondigen (= vertellen waar de tekst over gaat)
  • Een kort grappig of bijzonder verhaaltje (= anekdote) vertellen 
  • Een of meer vragen stellen.
  • De aanleiding voor het schrijven noemen (= vertellen waarom je schrijft)


Slide 11 - Tekstslide

Teksten afsluiten
Een schrijver kan zijn tekst op verschillende manieren afsluiten. Soms kiest hij voor een combinatie.

  • Conclusie
  • Samenvatting
  • Advies

Slide 12 - Tekstslide

Alles in 1 overzicht.

Slide 13 - Tekstslide

Functie titel, inleiding en slot

Functie van de titel: de lezer nieuwsgierig maken en/of het onderwerp van de tekst noemen

Functie inleiding: de lezer nieuwsgierig maken 

Functie slot: de tekst afsluiten

Slide 14 - Tekstslide

Opbouw van een alinea

Een alinea bestaat uit 2 delen: de kernzin en de uitwerking van de kernzin

Kernzin: de belangrijkste zin van een alinea (met daarin de belangrijkste  mededeling van de alinea), meestal de 1e, 2e of laatste zin van de alinea

De kernzin wordt uitgewerkt door middel van: voorbeelden of een toelichting

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Hoofdzaken en bijzaken

Hoofdzaken
De belangrijkste zaken in een tekst. Bijvoorbeeld de kernzinnen. 

Bijzaken
Minder belangrijke zaken als uitleg, toelichting en voorbeelden. 

Slide 17 - Tekstslide

Globaal lezen

Je kunt teksten op verschillende manieren lezen. 
Je weet al wat oriënterend lezen is. 
Daarnaast kun je een tekst globaal en intensief lezen.

Als je een tekst globaal leest, wil je weten wat:
  • de hoofdzaken zijn

Slide 18 - Tekstslide

Intensief lezen
Als je een tekst intensief leest, wil je weten wat:

  • het onderwerp is
  • de deelonderwerpen zijn
  • de verbanden tussen de alinea's zijn (wat hebben ze met elkaar te maken)
  • het tekstdoel is
  • wat lastige woorden en zinnen betekenen

Slide 19 - Tekstslide

Hoofdgedachte

De hoofdgedachte van een tekst is dat wat de schrijver over het onderwerp wilde vertellen

De hoofdgedachte formuleer je in één zin.

Dus: de hoofdgedachte = In één zin waar de hele tekst over gaat.

Slide 20 - Tekstslide

4 verbindingsmanieren

Alinea’s kunnen op 4 manieren met elkaar worden verbonden:

1.  Met een signaalwoord
2. Door herhaling
3. Door overgangszinnen met een verwijzing
4. Door aankondigende zinnen

Slide 21 - Tekstslide

Verbinden met een signaalwoord en door herhaling
Met een signaalwoord
Het signaalwoord aan de begin van een alinea geeft het verband aan met de vorige alinea.

Door herhaling
Aan het begin van een alinea worden woorden of woordgroepen uit de vorige alinea herhaald.

Slide 22 - Tekstslide

Verbinden door overgangszinnen en aankondigende zinnen
Door overgangszinnen met een verwijzing
In een van de eerste zinnen staat een verwijzing naar iets wat eerder is gezegd, in de vorm van een verwijswoord.

Door aankondigende zinnen
De zin/de zinnen aan het einde van een alinea vertellen wat je in de volgende alinea kunt verwachten.

Slide 23 - Tekstslide

Mening, argument en tegenargument
(mening) Tijdens de lessen moeten mobiele telefoons in de kluisjes worden opgeborgen, (argument) want leerlingen kunnen zich niet concentreren met hun mobiele telefoon in de buurt.

(mening) Het opbergen van mobiele telefoons in kluisjes vind ik geen goede oplossing, (tegenargument) want leerlingen moeten zelf de verantwoordelijkheid nemen.

Slide 24 - Tekstslide

Verschil feit en mening
Feit
Is waar of niet waar.
Kun je controleren.

Mening
Is wat iemand vindt. 
Kun je niet controleren

Slide 25 - Tekstslide

Objectieve teksten

... bevatten feiten (geen meningen)

Tekstsoorten
  • informerende teksten
  • uiteenzettende teksten

Slide 26 - Tekstslide

Subjectieve teksten

... bevatten de mening van de schrijver.

Tekstsoorten
  • aansprende/activerende teksten
  • overtuigende teksten

Slide 27 - Tekstslide

Weer even inkomen met BL
Ga naar je Op Niveau boek op blz. 83 en 84
Maak opdracht 1 bij tekst 1
Zet de antwoorden in de volgende slides

Slide 28 - Tekstslide

Lees tekst 1 grondig.
1 Wat bedoelt de schrijver met 'als hun veiligheid in het geding was'? (r. 8-9)
2 a Op welke manier zijn de inleiding en alinea 2 met elkaar verbonden? b Leg je antwoord uit.
3 Leg in je eigen woorden uit wat er in je hersenen gebeurt als je boos wordt.
4 In de tekst staat het advies tot tien te tellen als je boos wordt. Welke reden wordt hiervoor gegeven?


Slide 29 - Open vraag

5 In de laatste alinea staat een signaalwoord voor het verband oorzaak-gevolg.
a Schrijf dit signaalwoord op.
b Schrijf de delen van dit verband op.
6 Waarom zijn mannen vaker agressief dan vrouwen?

Slide 30 - Open vraag

7 Hoe komt het volgens jou dat ons brein nog zo snel reageert op boosheidsprikkels?
Gebruik voor je antwoord bewijzen uit de tekst.
8 Wat is het antwoord op de titel?
9 Past de titel goed bij de inhoud van de tekst?

Slide 31 - Open vraag

10 Wat is de tekstsoort van deze tekst? Leg je antwoord uit.
11 Leg in je eigen woorden uit wat de functie van de prefrontale cortex is.

Slide 32 - Open vraag

Einde van de les!

Slide 33 - Tekstslide