4.3: Schakelingen

4.3: Schakelingen
1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 12 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

4.3: Schakelingen

Slide 1 - Tekstslide

Stroom?
Elektrische apparaten hebben elektrische stroom nodig om het te kunnen doen, deze halen ze uit een spanningsbron.

Degene die je veel gebruikt zijn: stopcontacten en batterijen

Slide 2 - Tekstslide

Wat hoort er allemaal bij stroom?
Conventionele stroom loopt altijd van de plus naar de min-pool van een stroombron. Apparaten kunnen die elektrische energie omzetten in bijvoorbeeld licht: een lampje doet dit. Of warmte! Zoals een kachel.

Als je wil dat je lampje het doen, moet je er voor zorgen dat je een gesloten stroomkring hebt.

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Schema's
We gebruiken schema's om stroomkringen te tekenen, dit maakt alles overzichtelijker en makkelijker. 

Slide 5 - Tekstslide

Soorten schakelingen
Serieschakeling                                       Parallelschakeling

Slide 6 - Tekstslide

Verschil serie en parallel
Bij een serieschakeling heb je telkens 1 stroomkring, als je 1 lampje uit zet (of deze gaat stuk) dan gaan alle componenten uit.

Bij een parallelschakeling heb je meerdere stroomkringen. Gaat er 1 lampje kapot, dan blijven de andere lampjes wel branden. 

Slide 7 - Tekstslide

Spanning en stroomsterkte
Als we het over stroomkringen hebben is het voorbeeld van de pizzabezorgers een hele duidelijke

Slide 8 - Tekstslide

Voorbeeld vs hoe het echt zit
De pizzabezorgers die pizza's rondbrengen: de stroomsterkte, I
we meten stroomsterkte in ampère (A)

De pizza's die ze rondbrengen: de spanning, U
we meten spanning in volt (V)

De huizen waar ze de pizza's afleveren: de componenten uit de stroomkring, bijvoorbeeld een lampje
De New York Pizza waar ze nieuwe pizza's krijgen om rond te brengen: de stroombron, dus bijvoorbeeld een stopcontact of een batterij

Slide 9 - Tekstslide

Serieschakeling



De stroomsterkte (I) is overal gelijk, het maakt dus niet uit waar je meet, je zal over evenveel ampère vinden.



De spanning (U) wordt verdeeld over de lampjes. Elk lampje krijgt dus een deel van de spanning in volt. Hoeveel volt het lampje opbruikt is afhankelijk van de lamp.
Parallelschakeling



De stroom splitst zich op vertakkingen, bij elke vertakking op het plaatje (2, 3 en 4) is er 1/3e van de stroomsterkte (I) aanwezig. Bij 1 en 5 vind je de totale stroomsterkte.


Elk lampje is direct aangesloten op de spanningsbron dus krijgt telkens de volledige spanning (U) van de spanningsbron in volt.

Slide 10 - Tekstslide

Gemengde schakeling

Slide 11 - Tekstslide

Hoe meet je het aantal V en A?
Voltmeters meten het verschil in spanning voor en na een component (zoals een lampje). Ampère meters meten de stroomsterkte door je stroomkring.

Slide 12 - Tekstslide