Woordsoorten herkennen
Woordsoorten herkennen
null
Lesdoel
Ik kan hoofdtelwoorden, rangtelwoorden, zelfstandig werkwoorden, koppelwerkwoorden, hulpwerkwoorden en wederkerende voornaamwoorden herkennen en van elkaar onderscheiden.
Deze slide heeft geen instructies
Welke van deze woordsoorten vind jij nu al het makkelijkst?
Gebruik de reacties als korte voorkennischeck. Vraag een paar leerlingen waarom zij juist die woordsoort kozen.
Telwoorden
Telwoorden geven een aantal of een plaats in een rij aan.
Ze horen bij woorden die iets tellen of ordenen.
Voorbeelden: drie, twaalf, eerste, vijfde.
Benadruk dat deze les alleen twee soorten telwoorden behandelt: hoofdtelwoorden en rangtelwoorden.
Hoofdtelwoord
Een hoofdtelwoord noemt een precies aantal.
één, zes, twintig
Het antwoordt vaak op de vraag: hoeveel?
Voorbeeld: Ik heb vier boeken.
Deze slide heeft geen instructies
Hoofdtelwoord in een zin
Een hoofdtelwoord zegt hoeveel het er zijn.
Er staan acht fietsen buiten.
Wij kochten twee appels.
In de klas zitten dertig leerlingen.
Laat leerlingen zien dat het hoofdtelwoord bij verschillende zelfstandige naamwoorden kan horen, maar steeds een aantal noemt.
Rangtelwoord
Een rangtelwoord geeft de plaats of volgorde aan.
eerste, tweede, negende
Het antwoordt vaak op de vraag: de hoeveelste?
Voorbeeld: Zij werd derde in de wedstrijd.
Deze slide heeft geen instructies
Rangtelwoord in een zin
Een rangtelwoord zet iets in een volgorde.
Hij zit op de eerste rij.
Vandaag is de tiende les.
Mila werd tweede.
Wijs op het verschil tussen hoeveelheid en volgorde: twee = aantal, tweede = plaats.
Welk woord is een rangtelwoord?
twaalf
derde
acht
twintig
Controleert het verschil tussen hoeveelheid en volgorde.
Hoofdtelwoord of rangtelwoord
Een telwoord kan een aantal of een plaats in een rij aangeven. In 'Wij kochten twee appels' is het telwoord een hoofdtelwoord. In 'Mila werd tweede' is het telwoord een rangtelwoord.
De leerlingen vullen de kernbegrippen uit de slides over telwoorden in.
Werkwoorden
Werkwoorden zeggen iets over doen, zijn of gebeuren.
In deze les bekijken we drie soorten:
zelfstandig werkwoord
koppelwerkwoord
hulpwerkwoord
Maak duidelijk dat alle drie werkwoorden zijn, maar dat hun functie in de zin verschilt.
Zelfstandig werkwoord
Het zelfstandig werkwoord geeft de belangrijkste handeling of toestand van de zin.
Het kan vaak alleen de betekenis dragen.
Voorbeelden: lopen, eten, slapen
Voorbeeldzin: Sara leest een boek.
Noem dat er in een zin ook een hulpwerkwoord kan staan, maar dat het zelfstandig werkwoord dan nog steeds de hoofdhandeling noemt.
De hoofdhandeling in de zin
Het zelfstandig werkwoord vertelt wat echt gebeurt.
Omar tekent een huis.
De baby slaapt.
Wij zwemmen in het meer.
Deze slide heeft geen instructies
Koppelwerkwoord
Een koppelwerkwoord koppelt het onderwerp aan een eigenschap of toestand.
Vaak zijn dat vormen van:
zijn
worden
blijven
Voorbeeld: De lucht is blauw.
Leg uit dat het koppelwerkwoord zelf meestal geen handeling uitdrukt, maar een verbinding maakt tussen onderwerp en aanvulling.
Koppelen in plaats van doen
Bij een koppelwerkwoord gaat het niet om een handeling, maar om een toestand of kenmerk.
Sem is moe.
De soep wordt koud.
Het weer blijft zacht.
Vergelijk kort met een zelfstandig werkwoord: in 'Sem rent' gebeurt een handeling, in 'Sem is moe' wordt een toestand genoemd.
Hulpwerkwoord
Een hulpwerkwoord helpt een ander werkwoord in de zin.
Het staat samen met het zelfstandig werkwoord.
Voorbeelden van hulpwerkwoorden zijn:
hebben
zijn
zullen
Je kunt benoemen dat hulpwerkwoorden vaak gebruikt worden voor tijd of vorm, zonder daar nu diep op in te gaan.
Hulpwerkwoord met ander werkwoord
Het hulpwerkwoord ondersteunt het zelfstandig werkwoord.
Ik heb gewerkt.
Zij is gevallen.
Wij zullen winnen.
Laat in elke zin aanwijzen welk woord helpt en welk woord de hoofdhandeling uitdrukt.
Werkwoorden vergelijken
zelfstandig werkwoord: noemt de handeling of toestand
koppelwerkwoord: verbindt onderwerp met een kenmerk
hulpwerkwoord: helpt een ander werkwoord
Voorbeeld:
Lina loopt. → zelfstandig werkwoord
Lina is blij. → koppelwerkwoord
Lina heeft gelopen. → hulpwerkwoord + zelfstandig werkwoord
Deze vergelijkingsslide helpt om verwarring tussen 'is' als koppelwerkwoord en 'is' als hulpwerkwoord te voorkomen.
In welke zin is 'is' een koppelwerkwoord?
Zij is gevallen.
Hij is moe.
Wij is winnen.
Ik is gelopen.
De juiste zin koppelt onderwerp en toestand. De andere opties lijken op hulpwerkwoordconstructies of zijn fout gevormd.
Soorten werkwoorden
Een zelfstandig werkwoord noemt de hoofdhandeling in de zin. Een koppelwerkwoord verbindt het onderwerp met een kenmerk. Een hulpwerkwoord helpt een ander werkwoord, zoals in 'Lina heeft gelopen'.
Laat leerlingen de drie functies van werkwoorden onderscheiden.
Wederkerend voornaamwoord
Een wederkerend voornaamwoord verwijst terug naar het onderwerp.
Voorbeelden zijn:
me
je
zich
Voorbeeld: Ik vergis me.
Gebruik eenvoudige voorbeelden; de kern is dat het voornaamwoord terugwijst naar degene die de handeling uitvoert.
Terugwijzen naar het onderwerp
Bij een wederkerend voornaamwoord horen onderwerp en voornaamwoord bij elkaar.
Jij wast je.
Hij schaamt zich.
Wij vergissen ons.
Benadruk dat het voornaamwoord niet naar iemand anders verwijst, maar naar het onderwerp zelf.
Wederkerend in de zin
Je herkent het aan het terugverwijzen.
Ik herinner me de afspraak.
Zij verheugt zich op de vakantie.
Jullie gedragen je rustig.
Noem eventueel dat sommige werkwoorden vaak met een wederkerend voornaamwoord voorkomen, zoals zich vergissen en zich schamen.
Welk woord is een wederkerend voornaamwoord?
afspraak
zich
vakantie
rustig
Controleert herkenning van het wederkerend voornaamwoord zelf.
Terugwijzen naar het onderwerp
Een wederkerend voornaamwoord verwijst terug naar het onderwerp. In 'Hij schaamt zich' horen onderwerp en voornaamwoord bij elkaar. In 'Wij vergissen ons' wijst het voornaamwoord dus terug naar 'wij'.
Beklemtoont het terugverwijzen naar het onderwerp.
Begrippenlijst
telwoord - woord dat een aantal of plaats in een volgorde aangeeft
hoofdtelwoord - telwoord dat zegt hoeveel iets er zijn
rangtelwoord - telwoord dat zegt op welke plaats iets staat
werkwoord - woord dat een handeling, toestand of gebeurtenis uitdrukt
zelfstandig werkwoord - werkwoord dat de hoofdhandeling of hoofdtoestand noemt
koppelwerkwoord - werkwoord dat het onderwerp verbindt met een kenmerk of toestand
hulpwerkwoord - werkwoord dat een ander werkwoord helpt
Deze slide heeft geen instructies
Begrippenlijst
wederkerend voornaamwoord - voornaamwoord dat terugverwijst naar het onderwerp
onderwerp - deel van de zin waarover iets wordt gezegd
handeling - wat iemand of iets doet
toestand - hoe iemand of iets is
volgorde - de plaats van iets in een rij of reeks
Deze slide heeft geen instructies