Helder en correct formuleren: alle 4H-theorie

SE toets formuleren

4ha

1 / 35
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsSecondary Education

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

SE toets formuleren

4ha

Herhaling onderbouw - NN Cursus 5, paragraaf 1

  • zinnen begrenzen

  • verwijswoorden

  • trappen van vergelijking

  • dubbelop en foute herhaling

  • samentrekking

  • congruentie

  • inversie

  • dat/als-constructie

  • symmetrie

Zinnen juist begrenzen

  • Zinnen beginnen met een hoofdletter,

  • Zinnen eindigen met een punt.

  • Gebruik komma’s bij samengestelde zinnen.

Welke zin is juist begrensd?

A

Veel studenten zijn niet blij met de online-lessen, ze zeggen dat ze de interactie met de docent missen. 

B

Veel studenten zijn niet blij met de online-lessen. Ze zeggen dat ze de interactie met de docent missen.  

Welke zin is juist begrensd?

A

Ik heb een onvoldoende gehaald voor wiskunde, waardoor ik nu 5H niet haal.  

B

Ik heb een onvoldoende gehaald voor wiskunde. Waardoor ik nu 5H niet haal.

Verwijswoorden

Waarom verwijzen:

  • Voorkomt herhalingen

  • Maakt een tekst prettiger om te lezen


Wat je moet weten om goed te verwijzen:

  • het geslacht van woorden: mannelijk, vrouwelijk, onzijdig

  • de- of het-woord

  • enkelvoud of meervoud

Verwijswoorden

de-woorden

  • mannelijk of vrouwelijk in enkelvoud

  • personen, bomen, rivieren

  • alle meervouden

  • woorden met deze uitgangen zijn vrouwelijk:

    ·-heid (overheid) -te (ziekte) -theek (bibliotheek)

    -nis (gevangenis) -de (liefde) -teit (universiteit)

    -ing (vereniging) -ie (politie) -uur (natuur)

    -st (kunst) -ij (maatschappij) -schap (wetenschap)

-iek (muziek)


het-woorden

  • onzijdig in enkelvoud

  • verkleinwoorden

Verwijswoorden

het-woorden

  • onzijdig in enkelvoud

  • alle verkleinwoorden


Verwijzen naar mannelijke zelfstandige naamwoorden:

  • hij, hem, zijn, deze en die


Verwijzen naar vrouwelijke zelfstandige naamwoorden:

  • zij , ze, haar, deze en die

Verwijswoorden

Verwijzen naar onzijdige zelfstandige naamwoorden:

  • het, zijn, dit en dat


Verwijzen naar een zelfstandig naamwoord in het meervoud:

  • zij, ze, hen, hun, deze en die.



De man juicht van vreugde.

A

Zij gooit haar handen in de lucht.

B

Hij gooit zijn handen in de lucht.

C

Zij gooien hun handen in de lucht.

Maak af: Het geld ...

A

dat hij gewonnen heeft.

B

wat hij gewonnen heeft.

C

die hij gewonnen heeft.

Maak af: De discotheek heeft ...

A

al zijn bezoekers een kortingspas gegeven.

B

al haar bezoekers een kortingspas gegeven.

De winnaars zijn tevreden.

A

Zij zijn blij met hun prijs.

B

Hij is blij met zijn prijs.

C

Zij is blij met haar prijs.

Maak af: Dit schildersbedrijf ...

A

heeft hun winst flink zien afnemen.

B

heeft zijn winst flink zien afnemen.

C

heeft haar winst flink zien afnemen.

Verwijswoorden

Lastige verwijswoorden:

  • dat/wat;

    • wat

      • alles, niets, iets, datgene, het enige

      • overtreffende trap

      • terugverwijzen naar de hele zin






Maak af: Dat is het beste ...

A

wat ik ooit gehoord heb.

B

dat ik ooit gehoord heb.

Maak af: Het enige ...

A

dat ik wil, is slapen.

B

wat ik wil, is slapen.

De leerlingen scoorden allemaal een voldoende, ...

A

dat heel bijzonder was.

B

wat heel bijzonder was.

Verwijswoorden

Lastige verwijswoorden:

  • hen/hun

    • hen

      • lijdend voorwerp

      • meewerkend voorwerp na een voorzetsel

    • hun

      • meewerkend voorwerp zonder voorzetsel



Kies de juist zin: Mijn vrienden waren in de stad.

A

Ik heb hen gezien.

B

Ik heb hun gezien.

Kies de juist zin: Toen ik hen zag, ...

A

heb ik hen een drankje aangeboden.

B

heb ik hun een drankje aangeboden.

Kies de juist zin: Ik moet heel vaak ...

A

aan hen denken.

B

aan hun denken.

Verwijswoorden

Lastige verwijswoorden:

  • waar+voorzetsel / voorzetsel+wie

    • dieren en dingen -> daar/waar+voorzetsel (daarvan, waarover, waarmee)

    • mensen -> voorzetsel+wie (van wie, over wie, met wie).


De scout met wie ik op survival ga, heeft een tent waarin we zullen overnachten.


Trappen van vergelijking

stellende trap

  • bijvoeglijk naamwoord

    • De toren is mooi.

    • Leipzig is ver.


  • als bij vergelijking:

    • De toren is net zo hoog als de flat.

    • Leipzig is even ver als Parijs.

Trappen van vergelijking

vergrotende trap

  • -er of -der achter het woord:

    • mooier

    • verder


  • dan bij vergelijking:

    • De toren is mooier dan de kerk.

    • Berlijn is verder dan Parijs.

  • let op:

    • Hij is groter dan ik (ben).

Trappen van vergelijking

overtreffende trap

  • -st of -ste achter het woord:

    • (het) mooist(e)

    • (het) verst(e)

  • Een woord dat op st of sch eindigt, krijgt geen st, maar meest ervoor:

    • (het) meest gepast

    • (het) meest logisch

Dubbelop en foute herhaling

Onjuiste herhaling

  • Aan die discussies over voetbal heb ik een hekel aan.


Dubbelop

  • Tautologie

    • Hetzelfde zeggen met verschillende woorden van dezelfde woordsoort:

      • Blij en verheugd kwamen de leerlingen de klas binnen.

      • Haastig ging hij snel naar het station.


Dubbelop en foute herhaling

Dubbelop

  • Pleonasme

    • Een eigenschap wordt nog eens benoemd door een ander woord.

      • Een houten boomstam, witte sneeuw, groen gras etc.

      • 'Kan ik dat even mondeling met u bespreken?’

  • Contaminatie

    • Twee woorden of uitdrukkingen worden ten onrechte vermengd.

      • ‘Meneer, mag ik mijn werkstuk even uitprinten?’

      • k ga eerst even mijn opdrachten nachecken.


Dubbelop en foute herhaling

Dubbele ontkenning

  • Sommige (werk)woorden hebben al een ontkennend karakter. Als er dan een tweede ontkenning toegevoegd wordt, is dat onjuist.

    • ‘Ik probeer tot mijn 18e nooit geen alcohol te drinken.’

    • De directie van Canisius wil voorkomen dat er geen ongewenste gasten naar het feest komen.


Samentrekking

  • Samentrekking

    • Samentrekking betekent weglating.

      • bij woorddelen: voor- en nadelen

      • bij woorden: korte en lange broeken

      • bij zinsdelen: Jesse koopt een cd en Joris een ipod.

        • Let op: alleen als

          - de betekenis hetzelfde is;

          - de vorm (het getal: enkelvoud of meervoud) hetzelfde is;

          - de grammaticale functie hetzelfde is;

          - de woorden dezelfde plaats hebben t.o.v. de pv.



Samentrekking

  • Foutieve samentrekking

    • verschil in betekenis:

      • De herder hield een kudde en van ieder schaap.

    • verschil in vorm:

      • Het vervallen huis werd afgebroken en de oude schuren gesloopt

    • verschil in grammaticale functie:

      • De computer is stuk en dus naar de monteur gebracht.


Congruentie

Het onderwerp en de persoonsvorm moeten in getal overeenkomen.

  • 33 procent van de leerlingen was aanwezig

  • De media pakten Femke Halsema terecht keihard aan.


let op:

  • Aanwezigen wordt verzocht zelf een kaartje te kopen.

    • Aanwezigen is hier een meewerkend voorwerp, geen onderwerp.

Inversie

Standaardzin:

  • De meeste jongeren (ow) / gaan (pv) / op zaterdagmiddag / naar een sportwedstrijd.

  • Inversie: het onderwerp staat achter de persoonsvorm

    • Op zaterdagmiddag / gaan (pv) / de meeste jongeren (ow) / naar een sportwedstrijd.

Onjuiste inversie:

  • Mijn tandartsafspraak is morgenochtend om 10 uur en ( ) mis (pv) ik (ow) daardoor helaas de toets wiskunde.

Dat/als-constructie verbeteren

  • voorwaardelijke bijzinnen die met 'als' beginnen altijd achteraan

  • Vermijd dat/als middenin de zin


fout

  • Kenners beweren dat als je geen 1,5 meter afstand houdt, je besmet kunt raken met het coronavirus

goed

  • Kenners beweren dat je besmet kunt raken met het coronavirus als je geen 1,5 meter afstand houdt.

Symmetrie in zinnen

  • Als je opsommingen gebruikt, moet je ervoor zorgen dat de delen dezelfde opbouw en vorm hebben.

    • fouten in getal: In Italië dineren mensen ’s avonds laat uitgebreid, maar een Italiaan ontbijt dan ook nauwelijks.

    • voornaamwoordelijke aanduiding: Wij raden u aan om uw kaarten op tijd te bestellen, want als je te lang wacht, vis je waarschijnlijk achter het net.

    • grammaticale constructie: Tobias werkt bij dit restaurant omdat hij er goed betaald krijgt (bijzin) en om ervaring op te doen in de horeca (beknopte bijzin).