samenvattende LU H8

De tijd van burgers en stoommachines

1 / 34
volgende
Slide 1: Slide
newEditorGeschiedenisVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 5

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 25 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

De tijd van burgers en stoommachines

Wat weet jij al over de industriële revolutie?

Leerdoel

Aan het einde van de les kun je uitleggen wat de industriële revolutie was, welke veranderingen er plaatsvonden in samenleving en politiek, en welke stromingen en bewegingen toen opkwamen.

Wat was de industriële revolutie?

Overgang van handmatige productie naar machinale productie. Fabrieken, stoommachines en urbanisatie veranderden het leven van veel mensen.

De agrarische revolutie en urbanisatie

Betere landbouwmethodes zorgden voor meer voedsel, bevolkingsgroei en meer arbeiders voor fabrieken.

Arbeiders trokken massaal naar de stad om te werken. Steden groeiden snel.

Agrarische revolutie

Urbanisatie

De sociale kwestie: armoede en arbeidsomstandigheden

Slechte leef- en werkomstandigheden leidden tot discussies over kinderarbeid, lonen en bescherming van arbeiders. Eerste wetten werden ingevoerd.

Modern imperialisme: strijd om koloniën

Kolonies werden onder Europees bestuur geplaatst. Dit leidde tot overheersing en verzet in koloniën.

Reden voor modern imperialisme

Europese landen wilden grondstoffen en afzetmarkten. Politiek en militair aanzien groeiden.

Gevolgen

Emancipatiebewegingen en feminisme

Vrouwen en arbeiders streden voor gelijke rechten. De schoolstrijd leidde tot gelijke financiering. Feministen wilden vrouwenkiesrecht.

Opkomst van politieke stromingen

Liberalisme, nationalisme, confessionalisme en socialisme doen hun intrede. Deze stromingen beïnvloeden politiek en maatschappij tot nu toe.

Democratisering in Nederland

Van monarchie met weinig inspraak naar een constitutionele democratie. Steeds meer mannen en uiteindelijk ook vrouwen kregen kiesrecht.

Waar begon de industriële revolutie?

A

In Engeland

B

In Duitsland

C

In Frankrijk

D

In Nederland

Wat was een gevolg van de industriële revolutie?

A

Afname van landbouwproductie

B

Minder bevolkingsgroei

C

Steden groeiden door urbanisatie

D

Verlies van arbeidsplaatsen

Wat zorgde voor een arbeidsoverschot?

A

Stijgende werkloosheid

B

Technologische stilstand

C

Agrarische revolutie

D

Afname van bevolkingsgroei

Wat werd verbeterd voor snel transport?

A

Luchthavens en havens

B

Spoorlijnen en kanalen

C

Fietspaden en wegen

D

Vaarwegen en tunnels

Wat was essentieel voor fabrieken?

A

Stoommachines

B

Windmolens

C

Handmatige arbeid

D

Zonnepanelen

Wat is de sociale kwestie?

A

Slechte leef- en werkomstandigheden van arbeiders

B

De rijkdom van de bourgeoisie

Wie hielpen arbeiders NIET tijdens de sociale kwestie?

A

Socialistische partijen

B

De aristocratie

C

Rooms-katholieke kerk

D

Vakbonden

Wat verbiedt het Kinderwetje van Van Houten?

A

Kinderarbeid onder de 12 jaar

B

Nachtarbeid voor volwassenen

Welke wet verbiedt nachtarbeid voor vrouwen?

A

Kinderwetje van Van Houten

B

Arbeidswet van 1889

Wat was een gevolg van de industrialisatie?

A

Verscherping van sociale tegenstellingen

B

Gelijke verdeling van rijkdom

Wat was een kenmerk van modern imperialisme?

A

Politieke overheersing

B

Vrije handel

C

Beperkte invloed

D

Totale overname van grondgebied

Waar ontstond de schoolstrijd over?

A

Onderwijs voor confessionelen

B

Politieke samenwerking

C

Financiering van scholen

D

Vrouwenemancipatie

Welke groep streefde naar gelijke rechten?

A

Kolonisten

B

Feministen

C

Arbeiders

D

Liberalen

Wat leidde tot de opkomst van vakbonden?

A

Politieke invloed

B

Bewustwording van arbeiders

C

Strijd voor eigen belangen

D

Vrouwenkiesrecht

Wat gebeurde er vanaf 1965 in Nederland?

A

Ontzuiling

B

Versterking van zuilen

C

Vermindering van geloofsinvloed

D

Toename van religie

Wat gebeurde in 1848 in Nederland?

A

België werd herkend

B

Koning werd afgezet

C

Democratie werd volledig geïnstalleerd

D

Grondwet werd aangepast

Wat is censuskiesrecht?

A

Stemrecht voor arbeiders

B

Stemrecht voor rijke mannen

C

Stemrecht voor alle vrouwen

D

Stemrecht voor jongeren

Wanneer werd het vrouwenkiesrecht ingevoerd?

A

1887

B

1919

C

1830

D

1901

Wie leidde de grondwet in 1848?

A

Johan Thorbecke

B

Lodewijk Napoleon

C

Willem II

D

Willem I

Wat is een kenmerk van het liberalisme?

A

Overheid moet alles regelen

B

Grote individuele vrijheid voor mensen

Wat streeft nationalisme na?

A

Gelijkheid voor alle volkeren

B

Trouw aan eigen staat of volk

Wat is een doel van het socialisme?

A

Vrije markt zonder overheidsinterventie

B

Eerlijke verdeling van macht en goederen

Wie richtte de ARP op?

A

Abraham Kuyper

B

Karl Marx

Wat is een doel van confessionalisme?

A

Godsdienstige overtuigingen in de politiek

B

Afschaffing van alle religies