Les 9 Korte herhaling taalregels periode 1

Korte herhaling: taalregels

1 / 26
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 25 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Korte herhaling: taalregels

Deze slide heeft geen instructies

Ik kan taalregels herkennen en goed gebruiken.


Deze slide heeft geen instructies

Welke taalregels herken jij al?

Gebruik de woordwolk om voorkennis op te halen. Verwachte woorden: hoofdletters, punt, komma, lidwoord, werkwoord, aanhalingstekens.

Inhoud

  1. Hoofdletters

  2. Punten

  3. Komma's

  4. Dubbele punt

  5. Aanhalingstekens

  6. Lidwoorden

  7. Zelfstandige naamwoorden

  8. Bijvoeglijke naamwoorden

  9. Werkwoorden

  10. Voorzetsels

  11. Evaluatie

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdletters

Je gebruikt een hoofdletter:

  • aan het begin van een zin

  • bij namen van personen

  • bij plaatsnamen en landen

  • bij feestdagen

Noem eventueel dat dagen en maanden in het Nederlands meestal geen hoofdletter krijgen, behalve aan het begin van een zin.

Punten

Een punt gebruik je:

  • aan het einde van een mededelende zin

  • om een zin duidelijk af te sluiten

  • niet achter een titel of kop

Deze slide heeft geen instructies

Komma's

Een komma helpt bij het lezen.


Je gebruikt een komma:

  • in een opsomming

  • tussen zinsdelen voor extra pauze

  • vaak voor woorden als maar of want

Houd het eenvoudig: focus op leespauzes en opsommingen, niet op alle grammaticaregels rond bijzinnen.

Dubbele punt

Een dubbele punt kondigt iets aan.


Je gebruikt een dubbele punt:

  • voor een opsomming

  • voor een uitleg

  • voor een citaat of letterlijke woorden

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer gebruik je een hoofdletter?

A

Na een komma

B

Begin van een zin

C

Na een titel

D

In elke maandnaam

Sluit aan bij de slides over hoofdletters, punten en komma's. 'In elke maandnaam' is een veelgemaakte fout in het Nederlands.

Vul de juiste woorden in

Aan het begin van een zin gebruik je een hoofdletter. Aan het einde van een mededelende zin zet je een punt. In een opsomming helpt een komma bij het lezen. Een dubbele punt kondigt een uitleg of opsomming aan.

hoofdletter
punt
komma
dubbele punt
vraagteken
uitroepteken
lidwoord
werkwoord

Alle vier begrippen komen terug in het eerste blok over leestekens en hoofdletters.

Aanhalingstekens

Aanhalingstekens gebruik je:

  • bij wat iemand letterlijk zegt

  • bij een citaat

  • soms bij een bijzondere titel of woord

Benadruk dat aanhalingstekens vaak samen voorkomen met een dubbele punt als er eerst wordt aangekondigd dat iemand iets zegt.

Lidwoorden

Lidwoorden horen bij een zelfstandig naamwoord.


De lidwoorden zijn:

  • de

  • het

  • een

Leg kort uit dat 'de' en 'het' bepaalde lidwoorden zijn en 'een' een onbepaald lidwoord is, als dat past bij het niveau van de groep.

Waarvoor gebruik je aanhalingstekens vooral?

A

Voor een plaats

B

Voor een opsomming

C

Voor letterlijke woorden

D

Voor een lidwoord

Controleert of leerlingen aanhalingstekens koppelen aan letterlijk zeggen of citeren, niet aan andere woordsoorten.

Waarom passen dubbele punt en aanhalingstekens vaak samen?

Bespreek dat een dubbele punt iets aankondigt en dat aanhalingstekens om de letterlijke woorden heen staan. Bijvoorbeeld: Sara zei: "Ik kom zo."

Zelfstandige naamwoorden

Een zelfstandig naamwoord is een woord voor:

  • een mens

  • een dier

  • een plant

  • een ding

  • een plaats of gevoel

Je kunt noemen dat je er vaak een lidwoord voor kunt zetten: de tafel, het huis, een hond.

Bijvoeglijke naamwoorden

Een bijvoeglijk naamwoord zegt meer over een zelfstandig naamwoord.


Voorbeelden:

  • de grote boom

  • het oude huis

  • een snelle fiets

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoorden

Een werkwoord geeft aan:

  • wat iemand doet

  • wat er gebeurt

  • in welke tijd de zin staat


Voorbeelden: lopen, schrijft, speelde

Als passend: laat zien dat in bijna elke zin een persoonsvorm staat, maar houd de focus op herkennen van werkwoorden.

Voorzetsels

Een voorzetsel geeft vaak een plaats of tijd aan.


Voorbeelden:

  • op de tafel

  • onder de stoel

  • na school

  • in de klas

Deze slide heeft geen instructies

Welk woord is een zelfstandig naamwoord?

A

springen

B

mooie

C

tafel

D

onder

De afleiders komen uit de andere behandelde woordsoorten: werkwoord, bijvoeglijk naamwoord en voorzetsel.

Herken de woordsoorten

In de zin 'De grote hond loopt in de tuin' is De een lidwoord. grote zegt meer over hond en is een bijvoeglijk naamwoord. loopt is het werkwoord en in is het voorzetsel.

De
grote
loopt
in
hond
tuin
het
snelle

Toepassing van de laatste vijf onderdelen in één bekende voorbeeldzin.

Evaluatie

  • Wat hebben we gedaan?

  • Wat weten we nu?

  • Wat was mijn inbreng?

  • Op welk niveau heb ik gewerkt?

  • Volgende keer: toets.

Deze slide sluit de herhaling af en bereidt de klas mentaal voor op de toets in de volgende les.

Wat hebben we vandaag herhaald?

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet jij nu beter dan aan het begin?

Deze slide heeft geen instructies

Op welk niveau heb jij gewerkt?

1

Ik had veel hulp nodig

2

Ik kon goed meedoen

3

Ik kon het zelfstandig

4

Ik kan het uitleggen

Deze slide heeft geen instructies

Begrippen

hoofdletter - grote letter aan het begin van een zin of naam

punt - leesteken dat een zin afsluit

komma - leesteken dat een korte pauze aangeeft

dubbele punt - leesteken dat een uitleg of opsomming aankondigt

aanhalingstekens - tekens om letterlijke woorden heen

lidwoord - woord dat bij een zelfstandig naamwoord hoort

zelfstandig naamwoord - woord voor mens, dier, ding, plant, plaats of gevoel

Deze slide heeft geen instructies

Begrippen

bijvoeglijk naamwoord - woord dat meer zegt over een zelfstandig naamwoord

werkwoord - woord dat een handeling of gebeurtenis aangeeft

voorzetsel - woord dat vaak plaats of tijd aangeeft

Deze slide heeft geen instructies