BINDING · SOCIALE COHESIE
Examentraining
Bindingen en sociale cohesie: zo pak je examenvragen aan
BINDING · SOCIALE COHESIE
Examentraining
Bindingen en sociale cohesie: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Fotopersbureau de Boer, Noord-Hollands Archief / Wikimedia Commons, CC0
BINDING · SOCIALE COHESIE
Wat ga je kunnen?
Ik kan bindingen en niveaus herkennen in een casus en het verband tussen cohesie, controle en instituties uitleggen.
Deze slide heeft geen instructies
BINDING · SOCIALE COHESIE
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat vraagt de vraag: noem, herken, leg uit of verklaar?
2. Zoek: welk concept zit in de casus? Onderstreep de aanwijzing.
3. Maak concreet: haal een zin of gegeven uit de casus en koppel het aan de omschrijving van het concept.
4. Schrijf: concept, aanwijzing uit de casus, conclusie. Alleen een definitie opschrijven is te weinig.
Deze slide heeft geen instructies
BINDING · SOCIALE COHESIE
Vraagtype 1: bindingen classificeren
Je krijgt een casus en bepaalt het type binding en het niveau.
Vraag je af: waarvan zijn mensen hier afhankelijk? Geld, macht, kennis of gevoel?
Bepaal daarna het niveau: individu, groep of organisatie, of samenleving.
Deze slide heeft geen instructies
Een bakker en klanten hangen af van brood en inkomen. Welke binding?
Een cognitieve binding
Een politieke binding
Een economische binding
Een affectieve binding
Syllabus 14.1: economische bindingen gaan over schaarse goederen en het geld om ze te verwerven. Verwachte fout: affectief, omdat klanten de bakker aardig vinden. De casus noemt brood en inkomen.
Welk niveau: bindingen binnen een sportclub?
Goed antwoord: mesoniveau, want het gaat om bindingen binnen een groep of organisatie. Verwachte fout: macroniveau kiezen omdat de club veel leden heeft.
Feyenoord-supporters op het Hofplein in Rotterdam, 2017
BINDING · SOCIALE COHESIE
Vraagtype 2: groepen en cohesie
Je moet uitleggen wat sterke of zwakke cohesie betekent voor een groep of de samenleving.
Gebruik: aantal en kwaliteit van bindingen, groepsgevoel, verantwoordelijkheid voor elkaar.
Let op het verschil tussen cohesie binnen een groep en cohesie in groter verband.
Image credit: Wouter Engler / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Twee supportersgroepen zijn intern hecht maar vijandig. Wat is het gevolg?
De cohesie in groter verband groeit vanzelf
De cohesie in groter verband kan verzwakken
Er is geen sprake van groepsvorming
De sociale controle verdwijnt volledig
Syllabus 14.3: sterke cohesie binnen bepaalde groepen kan tot conflicten tussen groepen leiden, waardoor de cohesie in groter verband verzwakt. Verwachte fout: denken dat hechte groepen altijd goed zijn voor de samenleving.
Ali wordt geweigerd om zijn afkomst. Vorm?
Goed antwoord: niet (meer) bij de groep mogen horen, door uitsluiting en discriminatie (syllabus 14.2). Verwachte fout: niet willen horen; Ali kiest er zelf niet voor.
Zitting van de arrondissementsrechtbank in de Jansstraat, Haarlem, 1953
BINDING · SOCIALE COHESIE
Vraagtype 3: cohesie en controle verbinden
Je legt het verband tussen sociale cohesie en sociale controle.
Bij hoge cohesie passen leden zich aan. Groepen gebruiken controle om afwijkend gedrag en uittreden te verminderen.
Noem ook formeel of informeel en een gevolg van de controle.
Image credit: Cees de Boer, Noord-Hollands Archief / Wikimedia Commons, CC0
In een hecht dorp spreken buren afwijkers aan. Wat verklaart dit het best?
Hoge cohesie maakt controle overbodig
Informele controle is een sociale institutie
Buren oefenen hier formele controle uit
Hoge cohesie gaat samen met informele controle
Syllabus 14.2 en 14.4: bij hoge cohesie passen leden zich aan en groepen proberen afwijkend gedrag te verminderen door sociale controle; buren die spontaan aanspreken oefenen informele controle uit. Verwachte fout: formele controle, omdat er regels worden gehandhaafd.
Hoe hangt controle samen met cohesie?
Goed antwoord: sociale controle bewaart de cohesie doordat groepen afwijkend gedrag en uittreden tegengaan; bij een hoge cohesie passen leden zich eerder aan de normen aan. Verwachte fout: alleen de definitie van controle geven.
BINDING · SOCIALE COHESIE
Vraagtype 4: kenmerken van een institutie
Je geeft voorbeelden van kenmerken van een sociale institutie in een casus.
Zoek kenmerken: buiten het individu, lange traditie, stabiel maar veranderlijk, moreel gezag, dwingend.
Noem het kenmerk en het bewijs uit de casus.
Deze slide heeft geen instructies
Niemand kan het huwelijk alleen afschaffen. Welk kenmerk is dit?
Ze hebben een lange traditie
Ze zijn veranderlijk door de tijd
Ze berusten op moreel gezag
Ze bestaan buiten het individu om
Syllabus 14.5: instituties bestaan buiten het individu om; een enkel persoon kan een institutie niet afschaffen. Verwachte fout: lange traditie, omdat het huwelijk oud is. De casus gaat over wat één persoon kan.
Noem een kenmerk van een sociale institutie.
Goed antwoord: een van buiten het individu om, lange traditie, vrij stabiel maar veranderlijk, moreel gezag, of dwingend (gedrag wordt beloond of bestraft). Verwachte fout: zeggen dat een institutie een gebouw is.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Bindingen classificeren
Groepen en cohesie
Cohesie en controle verbinden
Kenmerken van een institutie
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen eerst en laat een leerling de vier stappen voordoen.
BINDING · SOCIALE COHESIE
Tips voor op het examen
Schrijf nooit alleen de definitie op: koppel het concept altijd aan een gegeven uit de casus.
Bij bindingen: vraag je af waarvan mensen afhankelijk zijn en kies het type dat het best past.
Vergeet het niveau niet: individu is micro, groep of organisatie is meso, samenleving is macro.
Bij controle: bepaal of iemand een formele taak heeft of spontaan optreedt.
Deze slide heeft geen instructies