Cultuur en Hofstede (Maatschappijwetenschappen vwo), les 2: Examentraining

VORMING · CULTUUR

Examentraining

Cultuur en Hofstede: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
newEditorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining: culturen classificeren met de dimensies van Hofstede, een bron aan een concept koppelen, een verband verklaren en kritiek op een model formuleren, met 8 vragen in examenstijl.

Onderdelen in deze les

VORMING · CULTUUR

Examentraining

Cultuur en Hofstede: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Fons Heijnsbroek / Wikimedia Commons, CC0

VORMING · CULTUUR

Wat ga je kunnen?

Ik kan culturen classificeren, een casus aan concepten koppelen, verbanden verklaren en kritiek op Hofstede beredeneerd formuleren.

Deze slide heeft geen instructies

VORMING · CULTUUR

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat vraagt de vraag: noem, leg uit, classificeer, verklaar of beoordeel?

  • 2. Zoek: de aanwijzing in de casus of bron: wat doen of vinden mensen?

  • 3. Koppel: de aanwijzing aan een concept of aan één kant van een dimensie.

  • 4. Schrijf: concept, aanwijzing uit de bron, conclusie. Alleen een definitie is te weinig.

Deze slide heeft geen instructies

VORMING · CULTUUR

Vraagtype 1: een cultuur classificeren

  • Je krijgt een casus over een samenleving en moet een dimensie en de kant ervan noemen.

  • Noem de dimensie bij naam, de kant (grote of kleine, hoge of lage) en de aanwijzing uit de casus.

  • Let op dimensies die op elkaar lijken: bedenk waarom de andere dimensies minder goed passen.

Syllabus 4.4 en A2. Vaardigheid: culturen classificeren aan de hand van de dimensies. Veelgemaakte fout: de dimensie noemen zonder de kant, of een dimensie kiezen die bij het onderwerp past maar niet bij de aanwijzing.

Bedrijf Aya in land Q maakt voor elk nieuw geval nieuwe regels, uit angst voor onverwachte situaties. Welke dimensie?

A

Grote machtsafstand

B

Kortetermijngerichtheid

C

Hoge onzekerheidsvermijding

D

Soberheid

Goed: veel formele regels om onbekende situaties te beperken wijst op hoge onzekerheidsvermijding. Wie grote machtsafstand kiest, ziet regels als bevel van boven, maar de casus gaat over onzekerheid, niet over macht.

In land R kiezen jongeren zelf hun opleiding en partner, ook als familie het afkeurt. Welke dimensie?

A

Individualistisch

B

Collectivistisch

C

Feminien

D

Hedonistisch

Goed: het belang van het individu gaat voor het groepsbelang, de banden zijn los. Wie hedonistisch kiest, ziet vrijheid, maar hedonisme gaat over behoeftebevrediging, niet over groep versus individu.

VORMING · CULTUUR

Vraagtype 2: een bron koppelen aan een concept

  • Je krijgt een bronfragment of casus en moet het concept herkennen of het begrip toepassen.

  • Onderstreep de zin die het concept laat zien en leg uit waarom die zin past.

  • Let op de signaalwoorden: levensstijl, groepsbinding, invloedrijke positie, identiteit.

Syllabus 4.4 en A2: gegeven informatie uit een bron koppelen aan een concept. Veelgemaakte fout: het concept noemen dat bij het onderwerp past, maar niet bij de zin in de bron.

Bron: 'De groep die het land bestuurt en economisch domineert, bepaalt wat als normaal geldt.' Welk begrip past?

A

Subcultuur

B

Jongerencultuur

C

Collectivistische cultuur

D

Dominante cultuur

Goed: de dominante cultuur is die van de groep met de invloedrijkste positie. Subcultuur wijkt er deels van af. Collectivistisch is een dimensie, geen aanduiding van wie bepaalt.

Bron: 'Sem blijft tot zijn dertigste leven als student, met festivals en vrienden.' Welke functie past?

A

De dominante cultuur versterken

B

De jeugdfase oprekken

C

Meer machtsafstand creëren

D

De sociale cohesie vergroten

Goed: een jongerensubcultuur maakt het mogelijk de jeugdfase op te rekken (syllabus 4.4). De andere opties zijn geen functies die de syllabus noemt.

VORMING · CULTUUR

Vraagtype 3: een verband verklaren

  • Je moet verklaren waarom iets gebeurt, met een keten van oorzaak en gevolg.

  • Noem de maatschappelijke ontwikkeling, het concept dat verandert en wat dat betekent voor de groep.

  • Gebruik hoofdconcepten zoals vorming, binding en verandering.

Syllabus 4.4 en A2 (verbanden leggen). Vaardigheid: verklaren met hoofd- en kernconcepten. Veelgemaakte fout: een gevolg als oorzaak noemen, of alleen een feit beschrijven.

Waarom kon er na de Tweede Wereldoorlog een eigen jongerencultuur ontstaan?

A

Door meer vrije tijd, welvaart en een langere opleidingsduur

B

Door minder invloed van de dominante cultuur

C

Door een afname van de sociale cohesie

D

Door de komst van een nieuwe dominante groep

Goed: welvaartsstijging, meer vrije tijd en een langere opleidingsduur gaven tijd, ruimte en geld. Minder invloed van de dominante cultuur of minder cohesie zijn geen oorzaken, maar mogelijke gevolgen.

Hoe kan een sterke subcultuur tot uitsluiting leiden?

Goed antwoord: sterke groepsbinding botst met banden buiten de groep, waardoor buitenstaanders zich buitengesloten voelen (in- en uitsluiting). Verwachte fout: alleen 'ze zijn anders' zonder het verband met groepsbinding.

VORMING · CULTUUR

Vraagtype 4: kritiek op een model formuleren

  • Je moet een kritiekpunt op Hofstede noemen en toepassen op een casus of uitspraak.

  • Gebruik de begrippen statisch, homogeen of stigmatiserend.

  • Leg uit waar het model in de casus tekortschiet.

Syllabus 4.4 en A2 (toepassen in een nieuwe context). Veelgemaakte fout: 'het model klopt niet' schrijven. Een goed antwoord noemt het kritiekpunt en koppelt het aan de casus.

Een reisgids: 'In land Z is het al eeuwen zo en zo blijft het.' Welke kritiek op Hofstede past?

A

Te veel ruimte voor verschillen binnen een land

B

Het aantal dimensies in het model

C

Het statische idee van cultuur

D

De keuze om landen niet te vergelijken

Goed: het statische idee van cultuur. De gids gaat ervan uit dat een nationale cultuur vastligt en nauwelijks verandert (syllabus 4.4). Verwachte fout: homogeen; dat gaat over gelijkheid van alle inwoners, niet over verandering in de tijd.

Wat bedoelt de kritiek dat Hofstede stigmatiseert?

Goed antwoord: mensen worden vanwege hun land in een hokje gestopt, met een eigenschap die niet voor iedereen geldt. Verwachte fout: stigmatiserend verwarren met statisch.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Een cultuur classificeren

2

Een bron aan een concept koppelen

3

Een verband verklaren

4

Kritiek op een model formuleren

Deze slide heeft geen instructies

VORMING · CULTUUR

Tips voor op het examen

  • Noem bij een dimensie altijd de kant: grote of kleine machtsafstand, hoge of lage onzekerheidsvermijding.

  • Verwijs naar de aanwijzing uit de casus: een antwoord zonder bronbewijs is te weinig.

  • Hofstede heeft zes dimensies: vergeet hedonisme en soberheid niet.

  • Kritiek formuleren is meer dan 'het klopt niet': noem statisch, homogeen of stigmatiserend en leg het uit.

Deze slide heeft geen instructies