20180130 woordsoorten

Woordsoorten
Voornaamwoorden
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1,2

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Woordsoorten
Voornaamwoorden

Slide 1 - Tekstslide

Programma
Quiz om je kennis te testen (6 vragen)
Oefening voornaamwoorden 
Oefenen met zinnen

Slide 2 - Tekstslide

Woordsoorten
Lidwoord, bijvoegelijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, voorzetsel, telwoord, hulpwerkwoord, zelfstandig werkwoord, persoonlijk voornaamwoord.
Koppelwerkwoord, bezittelijk voornaamwoord, aanwijzend vnw, betrekkelijk vnw en vragend vnw. 

Slide 3 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord
Dat kan één woord zijn, maar ook een hele zin. Het heeft dus betrekking op iets wat eerder in de zin is gezegd. Een betrekkelijk voornaamwoord staat altijd achter datgene waar het op terugslaat. Voorbeelden van mogelijke betrekkelijke voornaamwoorden zijn: 'die', 'dat', 'wie', 'wat', 'welke', 'hetwelk', 'hetgeen'.
Vragend vnw: 

Slide 4 - Tekstslide

Vragend voornaamwoord
Vragende voornaamwoorden zijn: wie, wat , welke (welk) en wat voor (een). Ze staan heel vaak aan het begin van een vraagzin.'

Slide 5 - Tekstslide

Dat boek heb ik mijn vader op zijn verjaardag gegeven.
Wat is juist?
A
Dat = aanwijzend voornaamwoord
B
Mijn = bijvoeglijk naamwoord
C
Dat = bezittelijk voornaamwoord
D
Zijn = persoonlijk voornaamwoord

Slide 6 - Quizvraag

Hebben jullie je huiswerk al af?

Welk(e) woord(en) is/zijn persoonlijke voornaamwoorden?
A
jullie, je
B
jullie
C
je
D
geen

Slide 7 - Quizvraag

De muur is al lang niet meer wit.
De schilder is door zijn wit heen.
wit =
A
In beide zinnen een bijvoeglijk naamwoord
B
Eerst een bijvoeglijk naamwoord, daarna een zelfstandig naamwoord
C
Eerst een zelfstandig naamwoord, daarna een bijvoeglijk naamwoord

Slide 8 - Quizvraag

Een bijvoeglijk naamwoord staat altijd vóór een zelfstandig naamwoord.
A
waar
B
niet waar

Slide 9 - Quizvraag

Die rode fiets is van jou.

jou =
A
een bezittelijk voornaamwoord
B
een bijvoeglijk naamwoord
C
een persoonlijk voornaamwoord

Slide 10 - Quizvraag

Kanye West wordt de nieuwe president van de Verenigde Staten.
wordt =
A
hulpwerkwoord
B
zelfstandig werkwoord
C
koppelwerkwoord

Slide 11 - Quizvraag

Slide 12 - Video

opdracht: 3 zinnen ontleden
2m: tot hier

Slide 13 - Tekstslide

opdracht: 3 zinnen ontleden
Ben niet zo'n held van mezelf, maar ik heb een superwoman bij me.
En alle mannen staan versteld, wat doet met die jongen ik zie ze kijken.
Ik weet ook niet wat het is, zo'n meisje zo'n lijf en zo'n gezicht.
Zo'n goede vriend omdat ze altijd bij me is.

Slide 14 - Tekstslide

Luisteropdracht
Beauty & the brains (Nielson)

Vul de gatentekst in.
Maak na het liedje de opdracht over de woordsoorten (10 min.)

Slide 15 - Tekstslide

Oefenen
Persoonlijk, bezittelijk of aanwijzend voornaamwoord
Dat meisje dat daar loopt, is mijn buurmeisje
Het is nogal vervelend dat uit jouw mond te moeten horen
Jullie zijn goed bezig, wat ook blijkt uit jullie resultaten
Ik zag jouw vader gisteren lopen
Ik vond die taart die we toen aten erg vies.  

Slide 16 - Tekstslide

Huiswerk / zelfstandig werken

Slide 17 - Tekstslide