V2 - PA 1 - capítulo 3/4 - clase 2 / tener - frases clave E




Mi casa es tu casa






Clase 2

Hoy es miércoles el catorce de octubre de dos mil veintiséis

1 / 25
volgende
Slide 1: Slide
newEditorSpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 70 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les




Mi casa es tu casa






Clase 2

Hoy es miércoles el catorce de octubre de dos mil veintiséis

Toetsstof:

- Voca 3.1 a 3.4 (WB. P. 85 y 86) (C3)

- Frases clave E + K (TB. P. 29 y 32) (C3)

- Regelmatige werkwoorden

- Verbo tener y ir (TB. P. 29 )

- Getallen 0-100 (TB. P. 28)

-la hora (TB. P. 38)


Aan het eind van de les kan ik...

  • ...vragen over familie herkennen

  • ...de antwoorden uit frases clave E lezen en begrijpen

  • ...het werkwoord tener vervoegen

  • ...een eenvoudige informatie over familie geven



Vertaal naar het Nederlands: el padre

30

second

Vertaal naar het Nederlands: la hija

30

second

Vertaal naar het Nederlands: el abuelo

30

second

Vorige les:

  • Yo tengo trece años


  • Mi madre tiene cuarenta y seis años

Vorige les:

  • Yo tengo trece años


  • Mi madre tiene cuarenta y seis años

Tener = hebben

Persoonlijk voornaamwoorden - pronombres personales

ik = yo


jij = tú


hij / zij / u (het) = él / ella / usted


wij = nosotros


jullie = vosotros


zij / u / het (meervoud) = ellos / ellas / ustedes=

Slide titel

Slide tekst

El verbo tener

  1. yo tengo

  2. tú tienes

  3. él / ella / usted tiene

  4. nosotros tenemos

  5. vosotros tenéis

  6. ellos / ellas / ustedes tienen

Hacer ejercicios - tener

  1. Lees samen met de persoon naast je het rijtje van tener nog een keer op.

  2. Maak opdracht 10b in het werkboek (página sesenta y ocho)

5

minute

00

second

Comprobamos ejercicio 10b

  1. Yo tengo un abuelo gracioso.

  2. Hugo y álvaro, ¿tenéis la Xbox?

  3. Paco tiene muchos discos.

  4. Usted tiene un ordenador fantástico.

  5. Tú, ¿tienes hermanas?

  6. Nosotros tenemos un dormitorio pequeño.

  7. Las amigas de Alicia tienen el DVD de 'las bandidas'

Hoe heet je vader?

¿Cómo se llama tu padre?

Hoe heet je vader?

¿Cómo se llama tu padre?

Se llama Raúl

Heb je broers of zussen?

¿Tienes hermanos?

Heb je broers of zussen?

¿Tienes hermanos?

Sí, tengo una hermana / un hermano,

se llama Isabel

Hoe oud is je broer / zus?

¿Cuántos años tiene tu hermano/a?

Hoe oud is je broer / zus?

¿Cuántos años tiene tu hermano/a?

Mi hermano/a tiene .... años.

Waar wonen je opa en je oma?

¿Dónde viven tus abuelos?

Waar wonen je opa en je oma?

¿Dónde viven tus abuelos?

Mis abuelos viven en Toledo

Frases clave E

en parejas:

  1. één iemand trekt een kaartje met een vraag

  2. De ander maakt een Spaanse zin van het antwoord. Dit door de kaartjes met losse woorden samen te voegen.

  3. Alle vragen gehad? Maak ejercicio 15 (WB. P. setenta & setenta y uno)

Aan het eind van de les kan ik...

  • ...vragen over familie herkennen

  • ...de antwoorden uit frases clave E lezen en begrijpen

  • ...het werkwoord tener vervoegen

  • ...een eenvoudige informatie over familie geven



Exit-ticket

  1. vervoeg het werkwoord tener in de yo, tú & ella

  2. geef antwoord op de volgende vraag: ¿Tienes hermanos?