cross

H6 Herhaling

Mobiel in de tas
Tas op de grond
Laptop op je bureau
Log in op LessonUp
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolvmboLeerjaar 1

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Mobiel in de tas
Tas op de grond
Laptop op je bureau
Log in op LessonUp

Slide 1 - Tekstslide

Klassikale herhaling met testvragen

Zelfstandig werken
Doen

Slide 2 - Tekstslide

 §6.2 ROND DE WERELD

Slide 3 - Tekstslide

§6.2 ROND DE WERELD
§6.3 DE GOUDEN EEUW
§6.4 LODEWIJK XIV
DE ABSOLUTE VORST
Toetsweek
Repetitie hoofdstuk 6

Slide 4 - Tekstslide

Korte herhaling

Zelfstandig werken

Video kijken
Doen

Slide 5 - Tekstslide

De wereld in 1580

Slide 6 - Tekstslide

Nederland vindt zijn eigen route

Slide 7 - Tekstslide

Amsterdam: wereldhandel

Slide 8 - Tekstslide

VOC
  • Verenigde Oost-Indische Compagnie - 1602
  • Alleen de VOC mocht handelen met Indië
  • Goud, zijde, tapijten, thee, rijst, koffie, zilver
  • VOC zorgde voor grote welvaart (rijkdom) in de Republiek

Slide 9 - Tekstslide

WIC
  • West-Indische Compagnie 
  • Kapers beroofden Spaanse schepen van goud en zilver
  • Slavenhandel
  • Driehoekshandel

Slide 10 - Tekstslide

Welke Europese landen veroverden grote delen van Midden- en Zuid-Amerika
A
Frankrijk en Portugal
B
Engeland en Frankrijk
C
Portugal en Spanje
D
Spanje en Engeland

Slide 11 - Quizvraag

Maak de zin af.

Handel noem je pas wereldhandel als...
A
één land aan de rest van de wereld zijn producten verkoopt
B
één land in elk werelddeel zijn producten verkoopt
C
als landen binnen Europa spullen aan elkaar verkopen
D
als allerlei landen ter wereld spullen van elkaar kopen en verkopen

Slide 12 - Quizvraag

Eind zestiende eeuw zochten de Nederlanders een eigen zeeroute naar Indië. Toen dat was gelukt, wilden veel kooplieden er specerijen gaan halen. Wat zouden de gevolgen zijn?
A
Binnen de kortste keren zou er geen concurrentie meer zijn
B
De verkoopprijs van specerijen zou in ons land snel stijgen
C
Er zou te veel aanbod komen en niemand raakte zijn goederen nog kwijt
D
Als er te veel specerijen zouden komen, zou de prijs ervan dalen

Slide 13 - Quizvraag

Welke zin over de VOC is niet juist?
A
De VOC bracht grote welvaart in de Republiek
B
Duizenden mensen vonden een baan bij de VOC
C
De VOC zorgde ervoor dat ook andere kooplieden met Indië handel konden drijven
D
De VOC maakte enorme winsten

Slide 14 - Quizvraag

Wat betekent welvaart?

Slide 15 - Open vraag

 §6.3 DE GOUDEN EEUW

Slide 16 - Tekstslide

De Republiek wordt rijk
  •  Tussen 1600-1700 veel winst met de handel

  • Vooral rijke kooplieden worden steeds rijker

  • Hoe meer geld, hoe meer macht

  • Deze periode noemen we de
    Gouden Eeuw

Slide 17 - Tekstslide

Laat zien dat je geld hebt!
  • Stadsbestuur plaatste nieuwe grote prachtig versierde gebouwen.

  • Dit straalde macht en rijkdom uit

  • Rijke kooplieden bouwden luxe grachtenpandjes

  • Ze plaatste kunst in hun huis om te laten zien hoe rijk ze zijn

Slide 18 - Tekstslide

Wetenschap kost geld
  • VOC brengt ook vreemde dieren en insecten naar NL

  • Dit zorgt voor opbloei van de wetenschap.

  • Hoe leeft een wezen? Hoe ziet iets er van binnen uit? Hoe werkt iets?

Slide 19 - Tekstslide

De Gouden Eeuw was vooral een gouden tijd voor:
A
mensen die op het land werkten
B
handelaren en kooplieden
C
de bemanning van schepen die naar Indië voeren
D
alle inwoners van de Republiek

Slide 20 - Quizvraag

Voor wetenschap was veel geld nodig. Van wie kwam dat geld?
A
Van kunstenaars en wetenschappers
B
Alle burgers betaalden daarvoor belasting
C
Van rijke kooplieden
D
Bedelaars zamelden veel geld in

Slide 21 - Quizvraag

Welke zin past het beste bij wat 'wetenschap' is
A
Nieuwe uitvindingen doen en die verkopen
B
Alleen zo veel mogelijk vragen stellen over wat je ziet
C
Wat je niet begrijpt willen onderzoeken en stoppen als je het begrijpt
D
Steeds weer nieuwe vragen stellen en onderzoek doen om het antwoord te vinden

Slide 22 - Quizvraag

Waar ging de wetenschap in de Gouden Eeuw om?
A
Zo min mogelijk onderzoek doen
B
Kijken, ontdekken en weten
C
Om zo weinig mogelijk geld eraan uit te geven
D
Dat zo veel mogelijk kinderen naar school gingen

Slide 23 - Quizvraag

Leg uit: wat betekent 'kunst'?

Slide 24 - Open vraag

 §6.4 LODEWIJK XIV

Slide 25 - Tekstslide

"De staat, dat ben ik!"
Koning werd door God gekozen

Niemand kon daarom aan hem twijfelen

Ministers moesten elke daar rapporteren

Niemand mocht iets doen zonder persoonlijke toestemming koning

Absolute vorst: Een koning die aan niemand verantwoording af hoeft te leggen

Slide 26 - Tekstslide

Alleen aan de macht
Lodewijk XIV
Burgers betaalden belasting
Daarmee werd leger betaald
Gewone burgers konden ambtenaar worden
Edelen betaalden geen belasting
Kregen goed inkomen
Hadden niets meer te zeggen

Slide 27 - Tekstslide

De schatkist vullen
Lodewijk XIV
Ministers bepaalden prijzen van producten. 

Gevolg: prijzen werden niet te duur, niemand hoefde producten uit buitenland te halen

Veel producten om te exporteren.

Meer geld betekende meer macht voor de koning

Slide 28 - Tekstslide

Als de koning overlijdt, moet er een nieuwe koning komen. Hoe ging dat in de zeventiende eeuw
A
De ministers kozen een nieuwe koning
B
Zijn zoon of dochter wordt automatisch de nieuwe koning
C
De koning liet een lijstje na met een naam
D
Het volk koos de nieuwe koning

Slide 29 - Quizvraag

Welke zin past het beste bij 'absolute vorst'?
A
'Onze koning is door het volk gezonden'
B
'Mijn minister heeft dit bepaald'
C
'Waarom wilt u deze wet invoeren?'
D
'Ik beslis over alles in dit land'

Slide 30 - Quizvraag

Kies het juiste antwoord. Lodewijk XIV...
A
...verkleinde de macht van de adel en de geestelijkheid
B
...zorgde ervoor dat de geestelijkheid meer te zeggen kreeg
C
...liet de adel en de geestelijkheid ook belasting betalen
D
...vond dat de adel meer macht moest krijgen in zijn land

Slide 31 - Quizvraag

Waarom wilde Lodewijk XIV wel verkopen aan het buitenland, maar daar zo in mogelijk kopen?
A
Hij wilde juist dat de import zou stijgen
B
Er moest meer geld Frankrijk binnenkomen dan uitgaan
C
Lodewijk wilde meer importeren dan exporteren
D
De koning vond de producten uit het buitenland niet goed genoeg

Slide 32 - Quizvraag

timer
1:00
Laat LessonUp open staan op je laptop
Blijf in de meet!
AAN DE SLAG!
Wat?
Afmaken §6.2, 6.3, 6.4
Waarom?
Omdat je voorbereid moet zijn voor de toets
Hoe?
Lees de teksten, maar de vragen
Hulp?
Stel meneer Harmsen je vragen
Klaar?
Maken Test Jezelf
Leren begrippen
Samenvatting schrijven
Elkaar overhoren

Slide 33 - Tekstslide