Vragen hoofdstuk 2: Wat ben jij voor een consument?

Welkom!

  • Jas op de kapstok.

  • Ga rustig op je eigen plek zitten.

  • Telefoon in je tas.

  • Koptelefoon op tafel of in je tas. Oortjes uit.

  • Tas op de grond.

  • LEG JE BOEK OP TAFEL

  • Wacht rustig tot we beginnen.





1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolVoortgezet speciaal onderwijsvmbo b, kLeerroute VBLeerroute VKLeerjaar 3

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Welkom!

  • Jas op de kapstok.

  • Ga rustig op je eigen plek zitten.

  • Telefoon in je tas.

  • Koptelefoon op tafel of in je tas. Oortjes uit.

  • Tas op de grond.

  • LEG JE BOEK OP TAFEL

  • Wacht rustig tot we beginnen.





Regels in de klas


  • Blijf van anderen 

    en hun spullen af

  • Zeg iets aardigs
    of zeg niets.


Materialen bij je REKENMACHINE

  • Vinger opsteken

  • Wacht op je beurt 



  • WC na de uitleg



  • Geen eten drinken

  • (eventueel flesje drinken)


Wat gaan we doen vandaag?

  • Toets

  • Quiz hoofdstuk 2

  • 2.3 of herhalingsopdrachten





Wat ga je leren voor je toets?

Je wilt nieuwe sneakers kopen.

Waar let jij het meest op?

A

de prijs

B

de kwaliteit

C

het merk en uiterlijk

D

wat mijn vrienden hebben

Wat is de taak van een consumentenorganisatie?

A

opkomen voor belangen van consumenten

B

zorgen dat consumenten meer producten kopen

C

onpartijdige informatie geven over producten

Wat vertelt een keurmerk op een product?

A

dat het product aan bepaalde eisen voldoet

B

dat het product goedkoop is

C

dat iedereen het een goed product vindt

Bij welke aankoop geldt het consumentenrecht?

A

je koopt een gebruikte fiets van een vriend

B

je koopt een spel op de rommelmarkt

C

je koopt een koptelefoon bij een webshop

De accu van jouw nieuwe fiets vliegt in brand. Welke wet gaat over de aansprakelijk van de producent.

A

de warenwet

B

de wet productaansprakelijkheid

C

de belastingdienst

Wat bedoelen we met de woningmarkt?

A

Alle woningen die te koop staan

B

Een plek waar je meubels voor je woning kan kopen

C

De vraag naar woningen en het aanbod van woningen die te koop staan.

D

het aanbod van alle woningen die te koop staan

Mila betaalt 600 euro per maand. Zij krijgt 120 euro huurtoeslag.

Hoeveel procent van haar huur is de huurtoeslag?

A

20%

B

80%

C

5%

D

100%

120 : 600 x 100 = 20%


deel : geheel x 100%

Een koopwoning heeft een WOZ- waarde van 250000 euro.

Het ozb- tarief is 0,12%.

Hoeveel ozb betaalt de eigenaar?

A

30 euro

B

3000 euro

C

300 euro

250000 : 100 x 0,12 = 300 euro per jaar

percentage uitrekenen: geheel : 100 x gegeven percentage

Een vaatwasser kost bij winkel A 600 euro en bij winkel B 660 euro. Hoeveel procent is winkel B duurder dan winkel A?

A

10%

B

9,1%

C

60%

(660-600) : 600 x 100% = 10%

Aan de slag/ huiswerk

Maken:

herhalingsopdrachten


KLAAR! Nakijken en begrippen leren.






10

minute

00

second