les 1

Hoofdstuk 5
De kosten van een bedrijf
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 5
De kosten van een bedrijf

Slide 1 - Tekstslide

Paragraaf 5.1
Omzet, kosten en winst

Slide 2 - Tekstslide

Omzet

Slide 3 - Woordweb

Kosten

Slide 4 - Woordweb

Winst

Slide 5 - Woordweb

Om de omzet te berekenen,
gebruik je:
A
afzet x consumentenprijs
B
afzet x verkoopprijs
C
afzet x inkoopprijs
D
Verkoopprijs - BTW

Slide 6 - Quizvraag

Welke stelling is juist.
A
Bruto winst is inclusief btw, netto winst is exclusief btw.
B
Over netto winst betaal je geen belasting, over bruto winst wel.
C
Van de bruto winst betaal je de bedrijfskosten
D
Bij bruto winst is de omzet altijd 100%

Slide 7 - Quizvraag

Hoe bereken je de netto winst?
A
Omzet - bedrijfskosten
B
bruto winst - bedrijfskosten
C
Omzet - bruto winst
D
omzet - bruto winst - bedrijfskosten

Slide 8 - Quizvraag

Samenvattend:

Slide 9 - Tekstslide

Belasting Toegevoegde waarde
  • het is een indirecte belasting
  • 9% btw                     (- basisbehoeften)
  • 21% btw               (-overige behoeften)
BTW

Slide 10 - Tekstslide

Prijs exclusief btw         (is altijd 100%)
Bij 21% btw => is de verkoopprijs 100%
                               de consumentenprijs (prijs inclusief btw ) = 121%

Bij 9% btw => is de verkoopprijs 100%
                             de consumentenprijs (prijs inclusief btw ) = 121%
Verkoopprijs

Slide 11 - Tekstslide

Prijs inclusief btw               (is altijd meer dan 100%)
Bij 21% btw => is de verkoopprijs 100%
                               de consumentenprijs (prijs inclusief btw ) = 121%

Bij 9% btw => is de verkoopprijs 100%
                             de consumentenprijs (prijs inclusief btw ) = 121%


Consumentenprijs

Slide 12 - Tekstslide

BTW voor bedrijven 
  • Klant betaalt BTW aan winkelier
  • Winkelier draagt dit af aan belastingdienst

  • Winkelier betaalt BTW aan leverancier (bij inkoop)
  • Belastingdienst geeft BTW terug aan winkelier 

Slide 13 - Tekstslide

Is verkoopprijs inclusief of exclusief btw?
A
inclusief
B
exclusief

Slide 14 - Quizvraag

Wat is de consumentenprijs?
A
verkoopprijs zonder btw
B
de btw
C
verkoopprijs met btw
D
inkoopprijs

Slide 15 - Quizvraag

Een nieuwe geluidsbox kost € 1.000,- exclusief BTW. Hoeveel kost de box inclusief BTW? (Btw= 21%)
A
€ 1.210,-
B
€ 1.220,-
C
€ 1.021,-
D
€ 1.012,-

Slide 16 - Quizvraag

Een nieuwe auto kost €12.900,- exclusief BTW. Hoeveel kost de auto inclusief BTW? (Btw= 21%)
A
€ 15.609,-
B
€ 27.090,-
C
€ 10.661,16
D
€ 15.351,-

Slide 17 - Quizvraag

Wat is de consumentenprijs?
A
Verkoopprijs zonder BTW
B
Verkoopprijs
C
Verkoopprijs met BTW
D
Inkoopprijs

Slide 18 - Quizvraag

Een scooter kost € 2.000,- exclusief 21% BTW. Inclusief BTW betaal je € 2.021,-
A
waar
B
niet waar

Slide 19 - Quizvraag

Over voedingsmiddelen betaal je 9% btw.
Inclusief btw betaal je = ...... %
A
9%
B
91%
C
100%
D
109%

Slide 20 - Quizvraag

Een broodje kost inclusief BTW €2,50. De btw is 9%. Wat is de prijs exlusief btw?
A
€ 2,72
B
€ 2,06
C
€ 2,36
D
€ 2,29

Slide 21 - Quizvraag

Slide 22 - Video

Kosten
 Vaste kosten (hangen niet af van de afzet)
 bijv.
  • huisvesting
  • rentekosten
  • contributies
  • personeel?
 Variabele kosten (hangen wel af van de afzet)
 bijv.
  • inkoop
  • schoonmaak
  • verzending
  • personeel?

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Video

Huiswerk volgende les


Doornemen paragraaf 5.1 
Maken de opdrachten van deze paragraaf

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide