V1B: Unidad 1 Les 1 - Persoonlijke voornaamwoorden & tegenwoordige tijd

1 / 24
volgende
Slide 1: Slide
newEditorSpaansMBOMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1Studiejaar 1,2

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 70 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Start klaar.

3

minute

00

second

Deze slide heeft geen instructies

Lista de asistencias.

Registraties y deberes.

Opdracht 1 & 2 bladzijde 7 van het werkboek.

Opdracht 13 & 14 bladzijde 12 van het werkboek.

Deze slide heeft geen instructies

       Qué haremos hoy.

  • Después de la clase...

    • R: Ken je het Spaanse alfabet

    • R: Weet je over de uitspraak van de woorden in het Spaans

    • R: Kan je in het Spaans van 0 tot 30 tellen

    • T1: Kan je in het Spaans je naam spellen

      

Lesdoelen.

3. Leerdoelgericht werken

De docent geeft het onderwerp, RTTI geformuleerde leerdoelen en de lesopbouw aan. De docent weet de leerdoelen goed te laten aansluiten bij de voorkennis en het (taal)niveau van de leerlingen. Gedurende de les wordt continu een terugkoppeling naar de leerdoelen gemaakt om de mate van beheersing te controleren.      

Zet de getallen bij het juiste nummer.










siete

nueve

cuatro

dos

uno

tres

cinco

ocho

seis

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf de getallen op:

17 - 13- 9 - 20

Deze slide heeft geen instructies

Persoonlijke voornaamwoorden


Persoonlijke voornaamwoorden zijn woordjes die verwijzen naar personen of dingen, zonder dat je hun naam steeds hoeft te herhalen.

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn de persoonlijke voornaamwoorden in het nederlands?

Deze slide heeft geen instructies


3

minute

00

second

Deze slide heeft geen instructies

Verbind de Spaanse persoonlijke voornaamwoorden aan de juiste Nederlandse vertaling

Ik

jij

Jullie

Wij

Hij/ zij/ u

Zij meervoud / u meervoud

Yo

Tú

Él / ella/ usted

Nosotros/ nosotras

Vosotros/ vosotras

Ellos / ellas/ ustedes

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Match the correct answer for the -ER verbs

YO

TÚ

ÉL, ELLA, USTED

NOSOTROS, NOSOTRAS

VOSOTROS, VOSOTRAS

ELLOS, ELLAS, USTEDES

COMO

BEBES

COMEMOS

BEBE

COMEN

BEBEN

BEBÉiS

Deze slide heeft geen instructies

Match the correct answer for the -IR verbs

YO

TÚ

ÉL, ELLA, USTED

NOSOTROS, NOSOTRAS

VOSOTROS, VOSOTRAS

ELLOS, ELLAS, USTEDES

VIVÍS

VIVIMOS

ESCRIBE

VIVO

ABRO

ESCRIBIMOS

ABREN

VIVES

ESCRIBEN

VIVE

Deze slide heeft geen instructies


Llamarse = heten


Llamarse is een wederkerend werkwoord = verwijst naar de persoon zelf. 


1. Ik                              Yo                                             me        llamo
2. Jij                             Tú                                             te          llamas
3. Hij/ zij/ u                Él/ ella/ usted                        se          llama

4. Wij                          Nosotros                                nos       llamamos

5.Jullie                        Vosotros                               

Deze slide heeft geen instructies


Llamarse = heten


Vul de juiste vorm van het werkwoord "llamarse".


1. Yo _______________ Ana.
2. Tú _______________ Juan. 

3. Él _______________ Álvaro.

4. Ella _______________ Maria.
5. Nosotros _______________ Laura y Óscar.

¡A practicar!

Deze slide heeft geen instructies

Vocabulario Unidad 0: Nuestro verano

Deze slide heeft geen instructies

1. Por favor

2. Hablar

3. Un chico

4. ¿cuántos años tienes?

5. saber

6. la letra

7. el nombre

8. nos vemos

9. no lo entiendo

10. la palabra

¡A practicar! 

Wat: Betekenissen zoeken van 10 woorden uit het woordenlijst.

Hoe: In groepjes van twee of individueel

Waar: In je JDW-map/ schrift

Hulpmiddel: Reporteros tekstboek p. 128


Deze slide heeft geen instructies

Los deberes

  1. Bladzijde 16 opdracht 7.

  2. Vervoeg de werkwoorden tussen hakjes in de juiste vorm.

  • Yo (hablar) español con mis amigos.

  • Tú (estudiar) todos los días para el examen.

  • Nosotros (comer) en el restaurante los fines de semana.

  • Ella (vivir) en una casa muy bonita.

  • Vosotros (trabajar) en el proyecto de ciencias.

  • Ellos (leer) libros interesantes en la biblioteca.

  • Juan y María (escribir) cartas a sus abuelos.

  • Él (cocinar) muy bien los domingos

Deze slide heeft geen instructies


De regelmatige werkwoorden

  1. Yo (hablar) español con mis amigos.

  2. Tú (estudiar) todos los días para el examen.

  3. Nosotros (comer) en el restaurante los fines de semana.

  4. Ella (vivir) en una casa muy bonita.

  5. Vosotros (trabajar) en el proyecto de ciencias.

  6. Ellos (leer) libros interesantes en la biblioteca.

  7. Juan y María (escribir) cartas a sus abuelos.

  8. Él (cocinar) muy bien los domingos.

Deze slide heeft geen instructies

Wat heb je van 

deze les geleerd?

Deze slide heeft geen instructies


Wat vond je van deze les?

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies