Unit 5 ,6 3tl imperative/ must

1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Today
  1. Bespreking PW Unit 4
  2. Unit 5- start
  3. PW Unit 5+6 in de toetsweek- info volgt

Slide 2 - Tekstslide

Lijdende vorm: active/passive
                                                                                                  act              passive
The girl was helped by her friend.
I went to the club last week.
Their cat was treated to a big meal.
She stayed at home.     
  • Be (am, is, are, was, were)+ wwed ( of ww 3rij)
  • hele werkwoord          verleden tijd       voltooid deelwoord
  • look                       looked                  looked
  • see                           saw                         seen






beaten
(ver)slaan

























Slide 3 - Tekstslide

Vergelijkingen
(smart) I would say that Tom is  ................  than Peter.
  • smarter 
(beautiful)  This dress is ...........................than that one.
  • more beautiful
(cozy) This cafe is  .......  as the one we went to last week.
  • as cozy 
(rough) This is probably...............  neighbourhood in town.
  • the roughest
(popular)  Peter is the...................................student at school.
  • the most popular

Slide 4 - Tekstslide

Present Perfect
  • bestaat uit 2 delen!
  • have / has    +     wwed ( of ww 3rij)
  • I, you, we, they have + wwed (of 3 rij)
  • He, she, it has + wwed (of 3 rij)

Slide 5 - Tekstslide

Present Perfect   
(throw) The hunter ...................... the meat in his freezer.
  • has thrown
(eat) We......................  quite well during our holidays.
  •  have eaten
 (buy) Peter ......................  several video games.
  •  has bought


Slide 6 - Tekstslide

Verleden Tijd - Past Simple
  • (onrg) to fall-.........................
  • (onrg) to feel-.......................
  • (onreg) to see-........................
  • (reg) to walk-...........................
  • (reg) to work-..............................
  • (onreg) to take-...............................

Slide 7 - Tekstslide

Unit 5- Herhaling Unit
T- Grammar
P- zelfstandig reading and exercises WB B:
Alle opdrachten van Vocabulary en Grammar:
Vocabulary: ex. 5, 6, 12, 13, 17, 19, 27, 32, 37 p. 52-73
Grammar:ex.7, 8, 14, 15, 16, 34, 35 p.53-71
Self-Test p.76-80
Catch up als nodig is. p.81-84

Slide 8 - Tekstslide

must/ mustn't (must not)
must + hele werkwoord= moeten
must+ not+ hele werkwoord= niet moeten
  • + (go) We .............................to school.
  • - (be late.) We...................................
  • ex.7 p.53 -10 min

timer
10:00

Slide 9 - Tekstslide

ex.7 p.53
  1. must wear
  2. mustn’t run ... must walk
  3.  must … follow
  4. mustn’t dive
  5.  mustn’t swim
  6.  mustn’t enter
  7.  must shower
  8.  mustn’t wear

Slide 10 - Tekstslide

The Imperative

Slide 11 - Tekstslide

Wel doen! / niet doen!
Kort en krachtig!!!!!
moet je doen
moet je niet doen

Slide 12 - Tekstslide

Imperative = gebiedende wijs
hele ww
Keep your head up.

-
(not)
don't  + hele ww
Don't look down.
Ex.8 A p.54

Verder ex.2, 4, 5, 6 p.50-53

Slide 13 - Tekstslide

 Gerund
werkwoord +ing 

Een werkwoord (verb) kan soms worden gebruikt als zelfstandig naamwoord (noun). Wanneer een werkwoord deze rol aanneemt spreek je van een gerund (werkwoord + ing).

Wat?

Slide 14 - Tekstslide

werkwoord +ing  =  Gerund
I like teaching.(teach-werkwoord)
teaching=een zelfstandig naamwoord
werkwoord +ing =een zelfstandig naamwoord
You start talking.
I love watching films.

Slide 15 - Tekstslide

Wanneer?
  •    Achter de werkwoorden:
  • to start
  • to begin
  • to finish
  • to like
  • to love
  • to enjoy
  • to prefer
  • to hate
  • to keep
Vorm:
hele werkwoord+ing
  • to eat a cake
eating a cake
  • I start eating a cake.
  • to watch a film
  • ...........
  • I like watching a film.
  • to travel
  • .....

Slide 16 - Tekstslide

oefenen met Gerund 
maak jouw eigen zinnen-kaartjes
(to) start
(to) begin
(to)finish
(to) like     
(to) love
(to) enjoy
(to) prefer
(to) hate
(to) keep
Gebruik
+
kaartje
hele werkwoord +ing

Slide 17 - Tekstslide

Een gerund maak je met
A
ww+ ing
B
am/are/ is + ww+ing
C
ww+ed
D
ww+s

Slide 18 - Quizvraag

Een goede gerund is
A
We are eating right now.
B
I love eating outside

Slide 19 - Quizvraag


Een gerund is een..
A
..zelfstandig naamwoord dat gebruikt wordt als een werkwoord.
B
..werkwoord dat gebruikt wordt als een zelfstandig naamwoord.

Slide 20 - Quizvraag

Be allowed to + werkwoord
  • am allowed to +ww
  • is allowed to +ww
  • are allowed to + ww
  • I...................watch TV.
  • You.................(not)..............go out. 

Slide 21 - Tekstslide

Adjectives and Adverbs

Slide 22 - Tekstslide

Adjective- Bijvoeglijk naamwoord
Een bijvoeglijk naamwoord (adjective) zegt iets over een zelfstandig naamwoord (mensen, dieren,dingen)

Beyoncé     is     a    beautiful      lady.
                                            

Slide 23 - Tekstslide

Adjective- Bijvoeglijk naamwoord
Een bijvoeglijk naamwoord (adjective) zegt iets over een zelfstandig naamwoord (mensen, dieren,dingen)

Beyoncé     is     a    beautiful      lady.
                                                bijv. nw           zelfst.nw

Slide 24 - Tekstslide

Adverb- Bijwoord
Een  bijwoord  (adverb) zegt iets over een werkwoord. 
Hoe iemand iets doet. 

Beyoncé     sings         beautifully.
            

Slide 25 - Tekstslide

Adverb- Bijwoord
Een  bijwoord  (adverb) zegt iets over een werkwoord. 
Hoe iemand iets doet. 

Beyoncé     sings         beautifully.
                    ww              bijwoord

Slide 26 - Tekstslide

How do we make an adverb?
      Hoe maak je een bijwoord?

Slide 27 - Tekstslide

How do we make an adverb?
Je maakt een bijwoord door  - ly toe te voegen aan het bijv. nw

For example:
beautiful* - beautiful*ly            careful-carefully             loud-loudly
(2  ll)*
adjective:    the beautiful girl
adverb:         she sings beautifully

Slide 28 - Tekstslide

Present Perfect
  • bestaat uit 2 delen!
  • have / has    +     wwed ( of ww 3rij)
  • I, you, we, they have + wwed (of 3 rij)
  • He, she, it has + wwed (of 3 rij)

Slide 29 - Tekstslide

Today
  • Voorbereiden voor de toetsweek
  • zelfstandig aan het werk
  • idiooms 

Slide 30 - Tekstslide

must/ mustn't (must not)
must (not)     +      hele werkwoord

+ (go) We .............................to school.
  • We must go to school.
- (be late.) We...................................
  • We must not be late.

1
2

Slide 31 - Tekstslide

to be allowed to/ to be not allowed to
be allowed to     +      hele werkwoord


+ (visit) We ............................. our friends.
  • We are allowed to visit our friends.
- (be late.) We...................................
  • We are not allowed to  be late.

2
am
is
are
not
n't

was

were
1

Slide 32 - Tekstslide

Imperative = gebiedende wijs
(+) Wel doen!             Hele werkwoord
(-)  Niet doen!            Don't + hele werkwoord

eat(to) too fast.
  • Don't eat too fast.
help(to) your parents.
  • Help your parents.






Slide 33 - Tekstslide

werkwoord +ing  =  Gerund
1    als onderwerp                            hele werkwoord + ing



                                          +                    hele werkwoord+ing

I start reading a book.   Reading is fun.
2  na ww:
-love
-stop
-start
-enjoy

Slide 34 - Tekstslide

Adjective-adverb
=bijvoeglijk nw   +  zelfstandig nw
=be  + bijvoeglijk nw 



=bijwoord*   +  werkwoord  ( *bijvoeglijk .nw + ly)
  • I see a beautiful girl. She is beautiful. She sings beautifully.

am
is
are
was
were

Slide 35 - Tekstslide

Past Simple
afgelopen in het verleden/
 tijd is belangrijk

hele werkwoord +ed /of eigen vorm (2 rij)
(-) didn't +   hele werkwoord
(?) Did ...  hele werkwoord?

take (onreg.ww) visit (reg.ww)
  • I took  /   I didn't take  / Did I take?
  • I visited / I didn't visit/ Did I visit?


Present Perfect
begon in het verleden en nog steeds aan de gang/ tijd is niet belangerijk

have/has  + werkwoord+ed/eigen vorm(3 rij)
(-) haven't/hasn't  werkwoord+ed/eigen vorm(3rij)
(?)  Have/ Has +werkwoord+ed/eigen vorm(3rij)
take (onreg.ww) visit (reg.ww)
  • I have taken/ I haven't taken/ Have I taken? 
  • Ann has taken/Ann hasn't taken/Has Ann taken?
  • I have visited/ I haven't visited/ Have I visited? Ann has visited/Ann hasn't visited/ Has Ann visited?

Slide 36 - Tekstslide

idiooms
What's the dutch for....?
H9 en H10

Slide 37 - Tekstslide

zelfstandig aan het werk
  https://agendaweb.org/exercises/verbs/modals/must
https://agendaweb.org/verbs/past-participle.html
https://agendaweb.org/verbs/present_perfect-exercises.html
https://agendaweb.org/verbs/present-perfect-simple-past-simple-exercises.html
https://engelsklaslokaal.nl/oefenen-met-grammatica/oefenen-met-1-tijd/gebiedende-wijs-imperative/
https://engelsklaslokaal.nl/oefenen-met-grammatica/overig/bijwoord-bijvoeglijk-naamwoord/
https://engelsklaslokaal.nl/oefenen-met-grammatica/overig/gerund-to-infinitive/






Slide 38 - Tekstslide