Vandaag:
Conjunctuurcyclus + column uit Telegraaf
De Keynesiaanse revolutie
Van Oostenrijk naar Chicago
Battle Keynes vs Hayek
Monetaristen
Kijk op hedendaagse economische vraagstukken
De huidige mainstream economie
De betekenis van economische rationaliteit
Wat zien we nog terug in onze economiemethode?
Vandaag:
Conjunctuurcyclus + column uit Telegraaf
De Keynesiaanse revolutie
Van Oostenrijk naar Chicago
Battle Keynes vs Hayek
Monetaristen
Kijk op hedendaagse economische vraagstukken
De huidige mainstream economie
De betekenis van economische rationaliteit
Wat zien we nog terug in onze economiemethode?
Neo klassieken:
Marshall
(1842-1924)
Walras
(1834-1910)
Marktevenwicht
Marshall (links): hanteert de hoeveelheid als onafhankelijke; een grote hoeveelheid kun je kwijt door een lagere prijs dus p = f (Q) bij een bepaald aanbod komt een prijs tot stand die onder de betalingsbereidheid (marginaal nut) ligt aanbod uitbreiden marginaal nut ( = prijs) daalt net zo lang totdat vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn
Neo klassieken:
Marshall
(1842-1924)
Walras
(1834-1910)
Marktevenwicht
Walras (rechts): hanteert de prijs al onafhankelijke; de gevraagde hoeveelheid reageert op de prijs. dus Q = f (p) als bij een bepaalde prijs de vraag kleiner is dan het aanbod, zal door aanbodoverschot de prijs dalen net zo lang tot vraag gelijk is aan aanbod
Joseph Schumpeter
Bronnen van economische groei
Joseph Schumpeter was een invloedrijke econoom en wordt gelinkt aan de Oostenrijkse school. Schumpeter bestudeerde niet hoe we economische groei kunnen bereiken maar juist de bronnen van economische groei. Hij maakte een model voor economische ontwikkeling die de conjunctuurschommelingen van de economie verklaart.
Joseph Schumpeter
Creatieve destructie
Innovatie staat centraal in zijn model: veranderingen in productie, goederen, markten en organisaties zorgen voor economische groei. Ondernemers, met krediet, maken dit mogelijk. Innovatie gebeurt in golven, niet continu, en hangt samen met conjunctuur. Schumpeter noemde dit proces het proces van creatieve destructie, gebaseerd op Marx
Joseph Schumpeter
Golftheorieën
Schumpeter combineerde verschillende economische cycli om fluctuaties te verklaren. De Kondratieff (47 – 57 jr) ontstaat door grote doorbraken in de technologie. De Juglar (9 – 11 jr) door investeringen in vaste activa als machines en gebouwen. De Kitchin ( 3 – 5 jr) door voorraad-investeringen.
Hij stelde dat één Kondratieff-cyclus zes Juglar-cycli en een Juglar-cycli drie Kitchin-cycli bevat.
Golftheorieën
Conjunctuurcyclus
Business cycle
De Kondrattief is door de lange duur niet zo belangrijk voor dagelijkse gang van zaken in bedrijfsleven. Wanneer er in de pers wordt geschreven over conjunctuur, bedoelen ze meestal de Kitchin of Juglar.
Macro-economische nadruk
De Keynesiaanse School ontstond ten tijde van de grote depressie, die begon in 1929 met de beurskrach. Het niveau van de werkloosheid was nog nooit zo hoog geweest en veel bedrijven gingen failliet. Als gevolg hiervan was er weinig vertrouwen in de economie en het neoklassieke gedachtegoed kon hiervoor geen oplossing bieden. De gedachte dat de markt zichzelf zou corrigeren hield niet langer stand. Keynes kwam in 1936 met de oplossing. Hij zag in dat er overheidsinterventie nodig is om het niveau van de effectieve vraag hoog te houden. Deze effectieve vraag was namelijk enorm gedaald door de grote depressie.
Keynes’ theorie is een korte termijn theorie. Je kunt dit onthouden door zijn bekende uitspraak: “In the long run we are all dead”.
John Maynard Keynes
(1883-1946)
Macro-economische nadruk
De vijf belangrijkste ideeën van de Keynesiaanse school zijn:
Macro-economische nadruk;
Gericht op de vraag;
Economische instabiliteit;
Loon- en prijsrigiditeit;
Actief fiscaal en monetair beleid.
Loonrigiditeit kan ontstaan door aantal zaken:
Institutionele factoren.
Het behouden van een effectieve vraag.
John Maynard Keynes
(1883-1946)
Sparen en investeren
Sparen hangt af van inkomen en niet van rente; investeren hangt maar ten dele af van rente, maar voornamelijk van verwachtingen (daarom wiskundige modellen niet mogelijk: verwachtingen kun je niet modelleren)
S = I (net als bij klassieken, maar nu via Y en niet via r), maar slechts bij toeval bij productiecapaciteit
John Maynard Keynes
(1883-1946)
Effectieve vraag
De kern van Keynes' gedachtengang is dat ondernemers hun productie zullen instellen op de verwachte vraag naar hun producten (verwachtingen = animal spirits)
John Maynard Keynes
(1883-1946)
Arbeidsmarkt
Keynes dacht anders over werkloosheid dan veel economen. Volgens hem is werkloosheid meestal onvrijwillig. Dat komt door twee dingen:
De beroepsbevolking verandert op korte termijn nauwelijks.
Lonen dalen niet makkelijk (ze zijn “sticky”), omdat vakbonden een loonverlaging niet accepteren.
Daardoor kan het gebeuren dat zelfs als vraag
en aanbod op de arbeidsmarkt in evenwicht zijn,
er toch werkloosheid blijft bestaan. Het loon
past zich namelijk niet vanzelf naar beneden
aan. Oplossing voor werkloosheid is meer
effectieve vraag
Geld en monetaristen
Geld
Kwantiteitstheorie
De kwantiteitstheorie begon met Jean Bodin in 1568, die opmerkte dat een toename van de geldhoeveelheid inflatie veroorzaakt.
Fisher introduceerde in 1911 de verkeersvergelijking
M x V=P x T, waarbij hij veronderstelde dat de omloopsnelheid (V) en het aantal transacties (T) constant zijn, waardoor een toename van de geldhoeveelheid (M) direct leidt tot een stijging van het prijsniveau (P), wat in lijn is met de klassieke dichotomie.
Geld
Liquiditeitsvoorkeurstheorie
De liquiditeitsvoorkeurstheorie van Keynes stelt dat de rente wordt bepaald door vraag en aanbod op de geldmarkt. Mensen houden geld aan om drie redenen: het transactiemotief (dagelijkse uitgaven), het voorzorgsmotief (onverwachte gebeurtenissen) en het speculatiemotief (verwachtingen over toekomstige rente).
Bij een lage rente houden mensen meer geld in liquide vorm vanwege speculatie, wat de vraag naar geld verhoogt en de omloopsnelheid verlaagt. Dit kan leiden tot een liquidity trap, waarbij extra geld in omloop brengen geen effect meer heeft op de rente.
Friedrick Hayek
Van Oostenrijkse school naar Chicago
De Mont Pèlerin Society (MPS) is opgericht op 10 april 1947 door de Oostenrijkse econoom Friedrich A. (von) Hayek tijdens een conferentie in Mont Pèlerin, Zwitserland, bij het Meer van Genève. De Society werd opgericht om de klassieke liberale waarden – zoals vrije markten, individuele vrijheid en beperkte rol van de staat – te verdedigen tegen groeiende staatsinterventie
en collectivisme
Milton Friedman was te gast bij oprichting MPS. Hayek
geldt als een van de belangrijkste liberale denkers van de twintigste eeuw en gold als favoriet van Mark Rutte
H/V bovenbouw: wat zien we terug in het economiepro-gramma?
De van de homo economicus
Milton Friedman
Inflatie als monetair fenomeen
De overgang van Keynesiaanse naar monetaristische economie vond plaats in de jaren 1970, toen de Keynesiaanse aanpak niet effectief bleek tegen
stagflatie (een combinatie van hoge inflatie en werkloosheid).
Keynesiaanse theorieën, die pleitten voor overheidsinterventie om de vraag te stimuleren, werkten goed tijdens de Grote Depressie, maar faalden in de jaren 1970.
Milton Friedman
Geldgroeiregel
In de jaren na de tweede wereldoorlog bleef de overheid het beleid van Keynes aanhouden. Dit resulteerde echter in stagflatie, een situatie van inflatie én werkloosheid. Hierdoor was er ruimte voor nieuwe ideeën, namelijk die van Friedman.
Friedmans belangrijkste contributies waren zijn
bijdragen aan:
Consumptie analyse.
Monetaire theorie.
Stagflatie
Milton Friedman
Geldgroeiregel
Milton Friedman was een invloedrijke econoom en een leidende figuur binnen de monetaristen. Hij had de overtuiging dat de hoeveelheid geld in omloop de belangrijkste factor is voor economische stabiliteit en inflatie. Hij stelde dat “Inflation is always a monetary phenomenon”
Friedmans ‘monetaire regel’: Het geldaanbod moet jaarlijks verhoogd worden met een stabiele ratio, die overeenkomt met de lange termijn groeiratio van capaciteit.
Milton Friedman
Geldgroeiregel
Friedman benadrukte dat inflatieverwachtingen
van consumenten en bedrijven een cruciale rol
spelen in het inflatieproces. Als mensen hogere inflatie verwachten, zullen ze hun gedrag aanpassen, wat de inflatie verder kan aanwakkeren. Volgens Friedman is geld een sluier die de onderliggende reële economische activiteiten verhult. Hoewel veranderingen in de geldhoeveelheid op korte termijn de economie kunnen beïnvloeden, zijn deze effecten op lange termijn neutraal, oftewel "Money is neutral“.
Milton Friedman
Tegen overheidsingrijpen
In het algemeen was Friedman echter tegen overheidsingrijpen. Hij was uitsluitend voorstander van monetair beleid volgens deze monetaire regel. Verder kennen we door hem de termen positieve en normatieve economie. In de wetenschap moet er sprake zijn van positieve economie, wat inhoudt dat de economie objectief beschreven moet worden. Bij een normatieve economie moet je kijken naar de normen en waarden.
Friedman tegenovergestelde van Keynes.
Hierbij nogmaals de punten waarop ze van mening verschillen op een rijtje:
Modern imperialisme
Kritische geluiden
Imperialisme biedt een kritische blik op klassiek economisch denken door te benadrukken hoe kapitalistische expansie leidt tot economische ongelijkheid en exploitatie.
Critici zoals Hobson, Luxemburg en Lenin stelden dat kapitalisme een overschot creëert dat niet volledig door de binnenlandse markt kan worden geabsorbeerd, wat leidt tot onderconsumptie en economische stagnatie.
Om dit te vermijden, zoeken kapitalistische landen nieuwe markten en investeringsmogelijkheden in koloniale gebieden, wat resulteert in imperialistische expansie en versterkte economische ongelijkheid.
Lenin zag imperialisme als de hoogste fase van kapitalisme, waarin monopolies en financiële oligarchieën ontstaan door de samensmelting van bank- en industrieel kapitaal.
Modern Imperialisme?
Kritische geluiden
Hobson stelde dat imperialisme voortkwam uit structurele onderconsumptie door een scheve inkomensverdeling. Kapitaaleigenaren spaarden en investeerden hun hoge inkomens, waardoor productiecapaciteit groeide, maar lage lonen beperkten de vraag. Het overschot aan goederen zocht afzet in koloniale gebieden, gesteund door de staat en militair geweld. Hobson pleitte niet voor revolutie, maar voor hervormingen: herverdeling via belastingen en
nationalisatie van nutsbedrijven en financiële
instellingen.
Kritische geluiden
Lenin zag imperialisme als het laatste stadium van kapitalisme: door monopolies en machtige banken raakten investeringsmogelijkheden in eigen land uitgeput, waardoor kapitaal naar kolonies stroomde, gesteund door militair geweld. Winsten uit deze gebieden ‘kochten’ westerse arbeiders om, waardoor revolutie uitbleef.
Lenin concludeerde – zoals te zien in The Last Czars – dat men niet moest wachten, maar actief de revolutie moest forceren
Kritische geluiden
Thorstein Veblen brak met de neoklassieke economie door economisch gedrag niet als individueel en rationeel te zien, maar als sociaal bepaald en voortdurend evoluerend.
In The Theory of the Leisure Class introduceerde hij het idee van ‘conspicuous consumption’: mensen gebruiken opzichtige consumptie en vrije tijd om status te tonen, wat leidt tot verspilling. Veblen vond dat economen sociale en culturele veranderingen moesten meenemen in hun analyses, iets wat mainstream economen negeerden.
De historische school richt zich meer op de beschrijving en analyse van economische geschiedenis en de ontwikkeling van economische systemen over tijd.
Institutionalisten leggen meer nadruk op de rol van instituties, regels en normen, en hun invloed op economisch gedrag en prestaties.
De historische school gebruikt voornamelijk historische en beschrijvende methoden om economische verschijnselen te analyseren.
Institutionalisten combineren deze benadering met inzichten uit andere sociale wetenschappen, zoals sociologie en politieke wetenschappen
Volgende keer
Economische methodologie
De keynesiaanse erfenis
Heterodoxe economen
Hoe komen economische theorieën tot stand?
Modellen vs experimenten
Is economie een wetenschap?
Lezen
“Kleine geschiedenis van het economisch denken” H22 en H23
Artikelen
‘Is economie een wetenschap?’
‘Economic methodology in a nutshell’;
‘Experiment versus models’
Individu binnen economie