Passé composé

Leerdoelen
(1) "Ik kan de passé composé van werkwoorden op -er goed vervoegen"
(2) "Ik kan de passé composé van de werkwoorden avoir, être en faire goed vervoegen"

1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Leerdoelen
(1) "Ik kan de passé composé van werkwoorden op -er goed vervoegen"
(2) "Ik kan de passé composé van de werkwoorden avoir, être en faire goed vervoegen"

Slide 1 - Tekstslide

Prenez:
- votre livre (page 32)
- le cahier des verbes
- un stylo

Slide 2 - Tekstslide

Welke zin staat in de passé composé?
A
Je vais écouter de la musique.
B
J'ai regardé la télé.
C
J'adore les frites.
D
Je veux manger une glace.

Slide 3 - Quizvraag

Wat betekent de zin "J'ai regardé la télé"?

Slide 4 - Open vraag

Wat is de passé composé-vorm van het werkwoord "changer"?
A
change
B
changes
C
changez
D
changé

Slide 5 - Quizvraag

Welk werkwoord heb je ALTIJD nodig bij het maken van een passé composé?
A
être
B
faire
C
avoir
D
aller

Slide 6 - Quizvraag

Il a trouvé un livre.
Nous avons écouté une chanson.
J'ai oublié mon livre.
Tu as fermé la porte?

Slide 7 - Tekstslide

Noteer een zin in de passé composé

Slide 8 - Woordweb

"Ik kan werkwoorden op - er juist vervoegen in de passé composé"
A
Ja
B
Nee

Slide 9 - Quizvraag

2 routes
A. "Ik kan werkwoorden op -er in de passé composé vervoegen" > groene route
B. "Ik kan werkwoorden op -er nog niet goed in de passé composé vervoegen > witte route

Slide 10 - Tekstslide

Groene route
1. Vertaal in je werkwoordenschrift (cahier des verbes) de werkwoorden op pagina 5 naar het Nederlands.
2. Noteer op pagina 6 van twee verschillende werkwoorden de passé composé. Vergeet het hulpwerkwoord niet! 

Slide 11 - Tekstslide

Maak opdracht 16e (p. 33) 

Slide 12 - Tekstslide

Avoir - Être - Faire
AVOIR
ÊTRE
FAIRE
J'ai eu
J'ai été
J'ai fait
Tu as eu
Tu as été
Tu as fait
Il/Elle/On a eu
Il/Elle/On a été
Il/Elle/On a fait
Nous avons eu
Nous avons été
Nous avons fait
Vous avez eu
Vous avez été
Vous avez fait
Ils/Elles ont eu
Ils/Elles ont été
Ils/Elles ont fait

Slide 13 - Tekstslide

Avoir
avoir = hebben          eu = gehad
(eu is namelijk de passé composé-vorm van avoir)

Tu as eu = Jij hebt gehad
Vous avez eu = Jullie hebben gehad / U heeft gehad
Etc.

Slide 14 - Tekstslide

Être
être = zijn         été = geweest 
(été is namelijk de passé composé-vorm van être)

J'ai été = Ik ben geweest
Nous avons été = Wij zijn geweest
Etc.

Slide 15 - Tekstslide

Faire
faire = doen/maken         fait = gemaakt/gedaan
(fait is namelijk de passé composé-vorm van faire)

Il a fait = Hij heeft gemaakt/gedaan
Elles ont fait du foot = Zij hebben gevoetbald  (want: het hele werkwoord is faire du foot)
Etc.

Slide 16 - Tekstslide

Cahier des verbes
Vul nu het rijtje van de passé composé in van de werkwoorden avoir, être en faire (p. 1+2).

Slide 17 - Tekstslide

Livre 
1. Maak opdracht 17abcd.
2. Maak opdracht 18.
3. Maak de Kwizl HAVO2 Chapitre 1 - Passé composé (bron D)

Slide 18 - Tekstslide

Witte route (klassikaal)

Slide 19 - Tekstslide

Wat zijn werkwoorden op -er?

Slide 20 - Tekstslide

Wat zijn werkwoorden op -er?
parler, trouver, changer, écouter, travailler, penser, aimer, adorer, détester, etc.

Slide 21 - Tekstslide

Hoe maak je een passé composé?
Parler > Parlé ( = gepraat)
Trouver > Trouvé (= gevonden)
Écouter > Écouté (= geluisterd)
Penser > Pensé (= gedacht)

MAAR... "Ik heb gepraat" en "Wij hebben geluisterd"
DUS: We hebben het werkwoord hebben (= avoir) nodig!

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Exemple
Ik heb gekeken = ?
Gekeken komt van kijken.
Kijken = regarder > regardé (= gekeken)
Ik heb = J'ai
J'ai regardé

Slide 24 - Tekstslide

Wat is de passé composé-vorm van "chercher"?

Slide 25 - Open vraag

Jij hebt gezongen = ?
(Zingen = chanter)

Slide 26 - Open vraag

Cahier des verbes
1. Vertaal in je werkwoordenschrift (cahier des verbes) de werkwoorden op pagina 5 naar het Nederlands.
2. Noteer op pagina 6 van twee verschillende werkwoorden de passé composé. Vergeet het hulpwerkwoord niet! 

Slide 27 - Tekstslide

Au travail!
Maak opdracht 16e.
timer
2:00

Slide 28 - Tekstslide

Avoir
avoir = hebben    >      eu = gehad


Tu as eu = Jij hebt gehad
Vous avez eu = Jullie hebben gehad / U heeft gehad
Etc.

Slide 29 - Tekstslide

Wij hebben gehad =
A
Nous avons avoiré
B
Nous avons eu

Slide 30 - Quizvraag

Ik heb gehad = ?

Slide 31 - Open vraag

Cahier des verbes
Noteer op pagina 1 de passé composé van het werkwoord avoir.
timer
1:00

Slide 32 - Tekstslide

Être
être = zijn         été = geweest 

J'ai été = Ik ben geweest
Nous avons été = Wij zijn geweest
Etc.

Slide 33 - Tekstslide

Jij bent geweest = ?
A
Tu as été
B
Tu es été
C
Tu as êtré
D
Tu es êtré

Slide 34 - Quizvraag

Isabelle is leraar geweest = ?

Slide 35 - Open vraag

Cahier des verbes
Noteer op pagina 1 de passé composé van het werkwoord être.
timer
1:00

Slide 36 - Tekstslide

Faire
faire = doen/maken         fait = gemaakt/gedaan


Il a fait = Hij heeft gemaakt/gedaan
Elles ont fait du foot = Zij hebben gevoetbald  (want: het hele werkwoord is faire du foot)
Etc.

Slide 37 - Tekstslide

U heeft getennist = ?
A
Vous avez fairé du tennis.
B
Vous avez tennissé.
C
Vous avez fait du tennis.
D
Vous êtes fait du tennis.

Slide 38 - Quizvraag

Zij heeft een tafel (une table) gemaakt = ?

Slide 39 - Open vraag

Cahier des verbes
Noteer op pagina 2 de passé composé van het werkwoord faire.
timer
1:00

Slide 40 - Tekstslide

Au travail!
1. Maak opdracht 17abcd.
2. Maak opdracht 18.
3. Maak de Kwizl HAVO2 Chapitre 1 - Passé composé (bron D)

Slide 41 - Tekstslide

Ik kan de passé composé van werkwoorden op -er toepassen.
A
Ja
B
Nee

Slide 42 - Quizvraag

Ik kan de passé composé van avoir, être en faire toepassen.
A
Ja
B
Nee

Slide 43 - Quizvraag